MONTAGUE. En ik weer naar de kust, van waar ik kwam. 209

(York en zijn Zonen, Warwick, Norfolk, Montague, Soldaten en Gevolg

af.)

KONING HENDRIK. En ik, met leed en kommer naar mijn hof.

(Koningin Margaretha en de Prins van Wales komen op.)

EXETER. Daar komt de koningin: haar blik spelt toorn;

’k Wil henensluipen.

KONING HENDRIK. Exeter, ook ik.

(Hij wil heengaan.)

KONINGIN MARGARETHA. Neen, ga niet van mij weg; ik zal u volgen.

KONING HENDRIK. Wees kalm, mijn lieve gade, en ik zal blijven.

KONINGIN MARGARETHA. Wie kan bij ’t uiterst leed aan kalmte denken?

Onzalig man! ware ik als maagd gestorven,

Hadde ik u nooit gezien, geen zoon gebaard,

Die zulk een vader had, zoo onnatuurlijk!

Heeft hij ’t verdiend, zijn erfrecht zoo te derven?

Hadt gij hem half zoo veel bemind als ik,

Hadt gij voor hem geleden, wat ik leed,

Hadt gij, als ik, hem met uw bloed gevoed,

Eer hadt ge uw dierbaarst hartebloed gegeven,

Dan ooit dien woestaard erfgenaam gemaakt,

En dezen uwen een’gen zoon onterfd.

PRINS. Mijn erfdeel, vader, kunt gij mij niet nemen;

Zijt gij hier Koning, dan volg ik u op.

KONING HENDRIK. Vergeef, Marg’retha,—lieve zoon, vergeef mij;—

Graaf Warwick en de hertog dwongen mij.

KONINGIN MARGARETHA. Zij dwongen u! gij, koning, laat ge u dwingen?

Ik schaam mij u te hooren spreken! Lafaard!

Gij bracht uzelf ten val, uw zoon en mij,

En gaaft aan ’t huis van York zoo groot een macht,

Dat gij slechts heerschen zult, als zij het dulden.

Uw kroon aan hem, zijn erven, te vermaken,

Wat anders is ’t, dan zelf uw graf te delven,

Er in te sluipen, lang vóór uwen tijd?

Warwick is kanselier, beheerscht Calais,

De onbuigb’re Faulconbridge de nauwe zee,

De hertog is protector nu van ’t rijk,

En acht ge u veilig? zulk een veiligheid

Geniet een sidd’rend lam, omringd van wolven.

Ware ik, een zwakke vrouw, slechts hier geweest,

Eer had ik door de krijgers op hun pieken

Mij laten rijgen, dan dat ik mij ooit

Tot zulk een onderhand’ling had verstaan;

Maar gij verkiest uw leven boven de eer;

En wijl ik zie, dat gij dit doet, zoo scheide ik

Mij, Hendrik, van uw disch en bed, totdat

Dit parlementsbesluit vernietigd is,

Waarbij mijn’ zoon zijn erfdeel is ontroofd.

De lords van ’t noorden, die uw vaan verzaakten,

Zij volgen wis de mijne, waar zij wappert;

En wapp’ren zal zij, u tot bitt’ren smaad,

En ’t gansche huis van York ten ondergang.

Aldus verlaat ik u.—Kom, zoon, van hier;

Ons leger staat bereid; kom dus, hen na! 256

KONING HENDRIK. Blijf, lieve Margaretha, laat mij spreken.

KONINGIN MARGARETHA. Te veel hebt gij alreeds gesproken; ga!

KONING HENDRIK. Edward, mijn lieve zoon, blijft gij niet bij mij?

KONINGIN MARGARETHA. O ja! opdat de vijand hem vermoorde!

PRINS. Als ik van de’ oorlog zegevierend keer,

Kom ik tot u; tot zoolang volg ik haar.

KONINGIN MARGARETHA. Kom, zoon, wij mogen zoo niet dralen; kom!

(Koningin Margaretha en de Prins van Wales af.)

KONING HENDRIK. Die arme vrouw! haar drijft haar teed’re liefde

Voor mij en voor haar zoon tot woeste vlagen!

God wreke haar op dezen boozen hertog,

Wiens eerzucht, van begeert’ bevleugeld, mij

De kroon zal kosten, als een hong’rige aad’laar

Mijn vleesch verscheuren zal en dat mijns zoons!—

Die afval der drie lords bezwaart mijn hart;

Ik zal hun schrijven, vleiend tot hen smeeken.—

Kom, waardige oom, gij moet mijn bode zijn.

EXETER. En ik, ik hoop hen allen te verzoenen.

(Beiden af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 111 / 165 题