EXETER. Die vluchten wis, zoodra de hertog valt. 69

KONING HENDRIK. O ver van Hendriks hart steeds de gedachte,

Dit parlement een slachthuis te doen zijn!

Neef Exeter, neen, woorden, blikken, dreiging,

Dat is de krijg, dien Hendrik voeren wil.

(Hij treedt, door zijn Lords gevolgd, op York toe.)

Oproer’ge hertog York, verlaat mijn troon,

Kniel om genade en gunst aan mijne voeten;

Ik ben uw heer en vorst.

YORK. Neen! ik ben de uwe.

EXETER. Kom af, gij dankt hem ’t hertogdom van York.

YORK. Mijn erfdeel was dat, zooals ’t graafschap March.

EXETER. Uw vader pleegde aan kroon en vorst verraad.

WARWICK. Gij, Exeter, pleegt aan de kroon verraad,

Wanneer gij de’ usurpator Hendrik volgt.

CLIFFORD. Wien zou hij volgen, dan zijn echten koning?

WARWICK. Juist, Clifford; dat is Richard, hertog York.

KONING HENDRIK. Wat! moet ìk staan? gij zitten op mijn troon?

YORK. Zoo moet en zal het zijn; dus, leer u schikken.

WARWICK. Wees hertog Lancaster, en hij zij koning.

WESTMORELAND. Hij is dit, en ook hertog Lancaster;

Dit zal de lord van Westmoreland u staven.

WARWICK. En Warwick zal ’t u looch’nen. Gij vergeet,

Dat wij het zijn, die u van ’t veld verjaagden,

Uw vaders doodden, met ontplooide vanen

Door Londens straten trokken naar ’t paleis.

NORTHUMBERLAND. Ja, Warwick, dit herdenk ik tot mijn leed;

En bij zìjn ziel, u rouwt dit en uw huis.

WESTMORELAND. Plantagenet, meer levens zal ik nemen

Van u, uw zoons, uw magen, vrienden, dan

Er drupp’len bloeds in mijnen vader waren.

CLIFFORD. Terg ons niet verder, of, in plaats van woorden,

Zal ik u, Warwick, zulk een bode zenden,

Dat die, eer ik mij roer, zijn dood zal wreken.

WARWICK. Hoort Clifford! hoe belach ik ijdel dreigen!

YORK. Laat ons onze aanspraak op de kroon bewijzen;

Zoo niet, dan wijze in ’t veld ons zwaard het uit.

KONING HENDRIK. Wat recht hebt gij, verrader, op de kroon? 104

Uw vader was, als gij, hertog van York;

Uw moeders vader was de graaf van March;—

Mijn vader was de groote vijfde Hendrik,

Die Frankrijk buigen deed en den dauphijn,

Hun steden en hun landen heeft veroverd.

WARWICK. Spreek niet van Frankrijk; ’t werd door u verloren.

KONING HENDRIK. Dat deed de lord protector, en niet ik;

’k Was negen maanden oud, toen ik gekroond werd.

RICHARD. Thans zijt gij oud genoeg, en toch verliest gij.

Ontruk die kroon hem, vader, u ontroofd.

EDWARD. Ja, vader, juist, druk die uzelf op ’t hoofd.

MONTAGUE (tot York). Mijn broeder, eert gij waap’nen, zijn ze u lief,

Zoo win uw zaak door strijd en niet door twisten.

RICHARD. Blaast! roert de trom! dan vlucht de koning wis.

YORK. Stil, zoons!

KONING HENDRIK. Stil gij, en laat den koning aan het woord.

WARWICK. Plantagenet, spreek eerst; lords, hoort hem aan;

En luistert zwijgend en aandachtig toe;

Wie in de rede valt, hij zal niet leven.

KONING HENDRIK. Waant gij, dat ik mijn koningstroon verlaat,

Waarop mijn vader en diens vader zaten?

Neen, eer moge oorlog dit mijn rijk ontvolken,

En hunne vanen,—vaak in Frankrijk wapp’rend,

Doch nu in England, tot mijn harteleed,—

Mijn lijkwâ zijn!—Wat blikt gij weiflend, lords?

Mijn recht is goed, veel beter dan het zijne.

WARWICK. Toon ’t, Hendrik, aan, en draag de kroon als vorst.

KONING HENDRIK. Hendrik de vierde won haar door veroov’ring.

YORK. Neen, neen, door opstand tegen zijnen vorst.

KONING HENDRIK (ter zijde). Wat nu te zeggen? want mijn recht is zwak.

(Luid.) Een vorst kan toch een erfgenaam benoemen?

YORK. Wat verder?

KONING HENDRIK. Indien hij ’t kan, dan ben ik wettig koning,

Want Richard heeft, in ’t bijzijn veler lords,

Zijn kroon den vierden Hendrik afgestaan;

Die liet haar aan mijn vader, deze aan mij.

YORK. Hij was in opstand tegen hem, zijn koning,

En dwong hem door geweld, zijn troon te ontruimen. 142

WARWICK. Doch stelt, mylords, hij deed het zonder dwang,

Gelooft, dat dit zoo het kroonrecht dwong?

EXETER. Dat niet; want zoo kon hij geen afstand doen,

Dat niet de naaste in ’t bloed de kroon zou dragen.

KONING HENDRIK. Gij, hertog Exeter, gij tegen ons?

EXETER. Vergeef mij, maar aan zijne zijde is ’t recht.

YORK. Wat fluistert gij, mylords, en geeft geen antwoord?

EXETER. ’t Geweten zegt mij, hij is wettig koning.

KONING HENDRIK (ter zijde). Nu zullen ze allen overgaan tot hem.

NORTHUMBERLAND. Plantagenet, wat gronden gij ook noemt,

Waan niet, dat Hendrik zoo wordt afgezet.

WARWICK. De afzetting zal, trots heel de wereld, volgen.

NORTHUMBERLAND. Voorwaar, gij dwaalt; al uwe macht in ’t zuiden,

In Essex, Norfolk, Suffolk of in Kent,—

Die u zoo trotsch en overmoedig maakt,—

Kan niet, trots mij, den hertog ooit verhoogen.

CLIFFORD. Zij ’t recht van koning Hendrik goed of niet,

Lord Clifford zweert u, Heer, voor u te strijden;

Die plek moog’ gapen, levend mij verslinden,

Waar ik ooit voor mijns vaders moord’naar kniel!

KONING HENDRIK. O Clifford, hoe versterkt uw taal mijn hart!

YORK. Hendrik van Lancaster, leg neer de kroon!—

Wat mompelt gij, wat hebt gij voor, mylords?

WARWICK. Kent dezen hoogen hertog York zijn recht toe,

Of van gewapend volk vervul ik ’t huis,

En boven dezen praalstoel, waar hij zetelt,

Schrijf ik zijn recht met usurpatorsbloed!

(Hij stampvoet, de Soldaten verschijnen.)

KONING HENDRIK. Mylord van Warwick; hoor een enkel woord,

Laat mij mijn leven lang als koning heerschen.

YORK. Bekrachtig mij de kroon en aan mijn erven,

En rustig heerscht gij heel uw leven lang.

KONING HENDRIK. Ik neem het aan, Richard Plantagenet,

Na mijn verscheiden zij de kroon uw deel.

CLIFFORD. Welk onrecht pleegt gij aan den prins, uw zoon!

Koning Hendrik de Zesde · 第 109 / 165 题