EERSTE TOONEEL.

Londen. Het Parlementshuis.

Getrommel. Eenige Soldaten van de partij van York dringen de zaal

binnen. Daarna komen op: de Hertog van York, met zijn zoons Edward en

Richard, de Hertog van Norfolk, de Markies van Montague, de Graaf van

Warwick en Anderen, met witte rozen aan den hoed.

WARWICK. ’t Verbaast mij, dat de koning ons ontkwam.

YORK. Terwijl wij fel zijn ruiters uit het noorden

Vervolgden, sloop hij van zijn leger weg,

Waarop de groote lord Northumberland,

Wiens krijgersooren nooit terugtocht duldden,

Het matte leger moed wist in te storten;

Hijzelf, lord Clifford en lord Stafford naast zich,

Stormde in op onze voorste rij, brak door,

Maar viel, met hen, door ’t zwaard van mind’re krijgers.

EDWARD. De hertog Buckingham, lord Stafford’s vader,

Moet of gesneuveld zijn of zwaar gewond;

Ik spleet hem met een fellen houw den helm;

Zie, vader, als getuig’nis hier zijn bloed.

(Hij toont zijn bloedig zwaard).

MONTAGUE (tot York). En zie het bloed hier, broeder, van graaf

Wiltshire,

Met wien ik bij ons treffen heb gekampt.

(Hij toont mede zijn bloedig zwaard.)

RICHARD. Spreek gij voor mij en zeg hun, wat ik deed.

(Hij werpt het hoofd van Somerset ter aarde.)

YORK. Richard verdient den prijs vóór al mijn zoons.—

Wat, heer, gij dood, mylord van Somerset?

NORFOLK. Dit wachte heel den stam van Jan van Gent!

RICHARD (het hoofd weer opnemend). Zoo hoop ik koning Hendriks hoofd te

schudden.

WARWICK. En ik met u.—Zeeghafte prins van York,

Tot ik ù zeet’len zie op dezen troon,

Door ’t huis van Lancaster zich aangematigd,

Sluit ik deze oogen nimmer, neen, bij God!

Dit hier is het paleis des laffen konings,

En dit des konings stoel; bestijg hem, York;

U komt hij toe, niet Koning Hendriks erven.

YORK. Help dan, mijn beste Warwick, en ik wil het;

Want ingebroken zijn wij met geweld.

NORFOLK. Wij allen staan u bij; wie vlucht, zal sterven.

YORK. Dank, waarde Norfolk.—Blijf mij bij, mylords;—

En gij, soldaten, neemt hier nachtkwartier.

WARWICK. En komt de koning, grijpt niet naar de wapens,

Tenzij hij met geweld u wil verdrijven. 34

(De Soldaten trekken zich terug.)

YORK. De koningin houdt heden parlement hier.

Wis niet vermoedend, dat wij meê vergaad’ren.

Of woord of zwaard verschaffe ons hier ons recht.

RICHARD. Laat ons hier allen, zoo gewapend, blijven.

WARWICK. Plantagenet, hertog van York, zij koning,

En die beschroomde Hendrik afgezet,

Wiens lafheid ons ten spot des vijands maakt,—

Of ’t bloedig parlement zij dit geheeten.

YORK. Nu dan, mylords, verlaat mij niet; staat pal;

Ik denk bezit te nemen van mijn recht.

WARWICK. De koning, noch wie hem het meest bemint,

De stoutste, die voor Lancaster het opneemt,

Waagt zelfs geen vleugelslag, indien lord Warwick,

Uw edelvalk, zijn bellen rink’len laat.

Ik plant Plantagenet; wied’ hem, wie ’t waagt.—

Beslis nu, Richard; vorder Englands troon.

(Warwick geleidt York naar den troon; deze zet er zich op neder.)

(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Clifford, Northumberland, Westmoreland

en Anderen komen op, met roode rozen op den hoed.)

KONING HENDRIK. Ziet, lords, ziet dien vermeet’len oproerling;

Hij zit daar op ’s rijks stoel; hij streeft, zoo schijnt het,

Op Warwick steunend, op dien valschen pair,

Naar onze kroon, en wil als koning heerschen.—

Northumberland, uw vader viel door hem,

Ook de uwe, Clifford; beiden zwoert gij wraak

Aan hem, zijn zoons, zijn gunst’lingen en vrienden.

NORTHUMBERLAND. Wreek ik mij niet, dan wreek’ zich God aan mij!

CLIFFORD. ’t Is om die hoop, dat Clifford rouwt in ’t staal.

WESTMORELAND. Wat! zouden wij dit dulden? Sleurt hem neer!

Van woede vlamt mijn hart; ik lijd dit niet.

KONING HENDRIK. Geduld, mijn beste graaf van Westmoreland!

CLIFFORD. Geduld is goed voor lafaards zooals hij;

Hij zat daar niet, indien uw vader leefde.

Genadig heer, laat ons in ’t parlement

Hier op den stam van York een aanval doen.

NORTHUMBERLAND. Zeer goed gesproken, neef, ja, zij het zoo!

KONING HENDRIK. Ach! weet gij ’t niet? De stad begunstigt hen,

En troepen krijgers wachten op hun wenken!

Koning Hendrik de Zesde · 第 108 / 165 题