II. 1. 24. Tantæne animis cælestibus iræ? Huist in hemelsche gemoederen
zulk een gramschap? Uit Vergilius.—Twee bladzijden verder wordt ook de
spreuk: „Geneesheer, genees uzelven”, in het Latijn gedeeltelijk
aangehaald. De jeugdige Shakespeare wil zijne schoolherinneringen eens
luchten of het geleerdheids-vertoon zijner voorgangers navolgen. Twee
regels verder is vertaald naar Marshall’s verbetering: With so much
holiness can you not do it?
II. 1. 126. Deze toespraak van Gloster wordt vaak, misschien niet ten
onrechte, als proza gedrukt.
II. 2. 64. Koning ben ik niet, Voor ik gekroond ben. Volgens de
beschouwing der middeleeuwen maakte eerst de kroning tot koning. Zie
pag. 429 de aanteekening op „Koning Jan”, IV. 2. 42.
II. 3. 13. Bij Sir John Stanley op het eiland Man. De Stanleys waren de
beheerders van het eiland Man en bleven dit lang; eerst in deze eeuw
verloor het huis Stanley, welks hoofd graaf van Derby is, door een
parlementsbesluit deze waardigheid.
II. 3. 63. Charneco. Een zoete Portugeesche wijn, naar een dorp bij
Lissabon benoemd.
III. 1. 59. Doodstraffen voor geringe schuldbedrijven. In de bij het
parlement te Bury ingediende aanklacht tegen Gloster werd onder anderen
het invoeren van onwettige wijzen van doodstraf hem verweten. De
hertog, zegt Holinshed, wist zich te rechtvaardigen, maar zijn onschuld
vermocht hem niet meer te redden.
III. 1. 63. Wat daag’lijks in die steden oproer wekte. Daar de
Engelsche bezettingen geen soldij bekwamen en verliepen, zoodat de
steden zich van het Engelsche juk konden ontslaan.
III. 1. 361. Een bende Kernen. De woeste Keltische boeren van
Ierland.—Met moorendanser, 4 regels lager, wordt een danser bedoeld uit
den oud-Engelschen volksdans, morisco of morrisdance, die in Mei en
omstreeks Pinksteren op de straten werd uitgevoerd; de nar uit den
stoet droeg schelletjes. Men vergelijke blz. 610 de aanteekening op „K.
Hendrik V”, II. 4. 25.
III. 2. 76. Als de adder doof geworden. Naar het volksgeloof was de
adder doof.
III. 2. 89. Koop’ren grotten. Toespeling op Æolus, die volgens de ouden
de winden in een grot opgesloten hield.
III. 2. 116. Mij te betoov’ren, evenals Ascanius. Zinspeling op de
plaats in Vergilius’ Æneis, waar Amor, na de gedaante te hebben
aangenomen van Æneas’ zoon Ascanius, bij de koningin Dido de daden en
deugden van den Trojaanschen held roemt en daardoor de liefde der
koningin voor Æneas aanwakkert.
III. 2. 226. Bloedzuiger en belager in den slaap. Warwick denkt aan de
Vampyrs, die slapenden bloed afzuigen en hen daardoor dooden.
III. 2. 310. Zoo vloeken dood bracht als de alruinenkreet. Men zie de
aanteekening op „Romeo en Julia”, blz. 309.
III. 2. 344. Dat gij bij ’t zeeg’len steeds aan deze dacht. De koningin
wijst bij het woord deze op haar lippen, gelijk uit den volgenden regel
blijkt.
IV. 1. 3. De knollen, elders door Sh. ook wel het drakenspan der Nacht
genoemd.
IV. 1. 29. Zie mijn Sint George. Suffolk wijst op zijn medaille met het
beeld van Sint George, die hij als ridder van den Kouseband draagt.
IV. 1. 35. Door Water zoude ik sterven. In het Engelsch is de
woordspeling beter, want Walter en Water worden eveneens of nagenoeg
gelijk uitgesproken.
IV. 1. 54. Behangen muildier. Een lang kleed of schabrak, over het
zadel geworpen, waardoor bijna het geheele paard of muildier bedekt
was, werd alleen door personen van rang gebezigd.
IV. 1. 70. Ja, Poole. De kapitein onthoudt aan Suffolk den titel mylord
en noemt hem eenvoudig met zijn familienaam Poole,—spreek uit: Poel,—en
beleedigt, als Suffolk hierover verontwaardigd is, nog verder door een
woordspeling op dien naam.
IV. 1. 99. „Invitis nubibus”. Invitis nubibus, trots de wolken. De
Hertog van York nam het embleem aan van koning Edward III, een door
wolken heenbrekende zon, met genoemd onderschrift. Vandaar wordt
meermalen van de zon van York gesproken; men zie de eerste regels van
Shakespeare’s „Koning Richard III.”
IV. 1. 108. De sterke Bargulus. Shakespeare kan dezen zeeroover der
oudheid hebben gekend uit Cicero’s boek De officiis (II, cap. 11.),
waarvan er in zijn tijd reeds twee Engelsche vertalingen bestonden.
IV. 1. 117. Pene gelidus timor occupat artus. Schier bevangt kille
schrik mijn leden. Van waar dit stuk van een Latijnschen versregel
herkomstig is, is onbekend.
IV. 1. 136. Brutus’ bastaardhand. In Sh.’s „Julius Cæsar” wordt in het
geheel niet gezinspeeld op de meening, dat Brutus een natuurlijke zoon
van Cæsar zou geweest zijn.—Dat Pompejus door woest eiland volk
vermoord is, is niet juist; misschien verwarde Sh. den moord met een
anderen.
IV. 2. 37. Onze vijanden moeten vallen.—Dit vallen is een woordspeling
met het latijnsche „cade”, „val!” In het oorspronkelijke zegt de slager
Dick ter zijde: „Of liever, wijl hij een tonnetje (cade) haring
gestolen heeft.”—Bij het hier gebezigde „keet” denke men aan de
tegenwoordige Engelsche uitspraak van Cade (keed).
IV. 2. 47. Uit het geslacht van de Spencers. In het oorspronkelijke
staat: „van de Lacies”, waarop Dick meent, dat zij wel laces (veters)
kan verkocht hebben.
IV. 2. 62. Drie marktdagen achtereen.—Tuchtigingen werden op marktdagen
uitgedeeld, om haar meer openbaarheid te geven.
IV. 2. 106. Emanuël.—Emanuël beteekent: „God zij met u” en werd in dien
zin meermalen boven officieele bekendmakingen en brieven geplaatst.
IV. 2. 119. Enkele kerel.—In ’t Engelsch: thou particular fellow;
„particular” bijzonder, in tegenstelling van „general”, algemeen.
IV. 2. 166. Duitenwerpen.—In ’t Engelsch spancounter; een spel, waarbij
men een munt zoo dicht mogelijk tracht te werpen bij het door den
vorigen speler geworpen geldstuk; is de afstand met de hand te
overspannen, dan wint men den inzet of het eerstgeworpen stuk. In den
tijd van Hendrik V, zegt Cade, speelde men dit spel, in plaats van met
duiten, met goudstukken uit den buit, op de Franschen behaald.
IV. 3. 7. De vastentijd zal enz. In den vastentijd mochten de
vleeschhouwers niet slachten, maar Dick zal er vergunning toe krijgen
en wel voor 99 beesten.
IV. 3. 11. Dit gedenkteeken van de overwinning enz. De wapenrusting van
den verslagen Stafford, die volgens Holinshed met gouden nagels
beslagen was.
IV. 4. 44. Killingworth. Een oudere naam voor Kenilworth, het beroemde
slot in Warwickshire.—Tot het juist verstaan van de berichten der boden
bedenke men, dat de opstandelingen van het zuiden aanrukten en eerst
Southwark namen, de zuidelijke voorstad van Londen, op den rechteroever
van de Theems tegenover de City gelegen, daarna de Londenbrug, die toen
de eenige was, welke de beide oevers verbond. Zij was van hout gebouwd
en met huizen bezet.
IV. 6. 2. Londener steen. Een van oude tijden her bekende steen, die
eeuwen lang in de Cannon street lag en hetzij een Romeinsche mijlsteen,
hetzij een Saksische grenssteen was. Hij is later bij een kerk
geplaatst.—Een oogenblik later wordt van the pissing-conduit gesproken,
misschien een fontein in den trant van „den oudsten burger van
Brussel.”
IV. 7. 2. Het Savooische huis. In het Engelsch kortweg the Savoy. Het
was een paleis, in 1245 door Peter, graaf van Savoye, gebouwd, aan den
oever van de Theems. Het werd soms door den koning, soms door een der
prinsen bewoond. Shakespeare schrijft hier aan Cade toe, wat door
Holinshed bericht wordt van den vroegeren bekenden opstandeling. Wat
Tyler, bij wiens opstand het Savooische huis vernield werd.—Deze was
het ook, die gezegd heeft, dat binnen vier dagen de wetten van Engeland
uit zijn mond zouden komen.
IV. 7. 24. Die ons een-en-twintig maal den vijftienden penning heeft
laten betalen en een schelling van het pond bij de laatste
oorlogsschatting.—Say had alzoo tijdens zijn beheer een-en-twintig maal
den vijftienden penning, en bij de laatste oorlogsbelasting bovendien
een schelling van het pond, dus een twintigsten penning laten betalen.
IV. 7. 27. Zoo, gij Say, gij saai enz. In het Engelsch staat: Ah, thou
say, thou serge, nay, thou buckram lord! Say is fijner stof dan serge,
en dit weer beter dan buckram, zoodat Say gedegradeerd wordt. In ’t
Nederlandsch had misschien saai, serge en karsaai kunnen gekozen
zijn.—Monsieur Baesimeku, dat volgt, een schimpnaam voor een
Franschman, is verbasterd van baise mon cul.