AANTEEKENINGEN

In het jaar 1445 kwam Margaretha van Anjou in Engeland aan; in het jaar

1455 viel de slag van Sint-Albaans voor, waarin voor de eerste maal het

huis van Lancaster moest zwichten voor de wapens van den hertog van

York. Het tweede deel van „Koning Hendrik de Zesde” omvat dit geheele

tijdperk, of eigenlijk nog vijf jaar meer, daar de slag van

Northampton, die in 1460 plaats vond, door Sh. met dien van

Sint-Albaans vereenzelvigd is. Één gebeurtenis heeft Shakespeare uit

een vroegeren tijd hier overgebracht, namelijk den val van de hertogin

van Gloster, blijkbaar om alles, wat op den ondergang van den hertog

van Gloster betrekking heeft, bijeen te brengen, en tevens de

heerschzucht der jonge koningin in een helder licht te stellen. Reeds

in 1441 werd Eleonore Cobham, echtgenoote, vroeger minnares van

Gloster, aangeklaagd en schuldig verklaard, dat zij met den

duivelbanner Roger Bolingbroke, de heks Margory Jourdain en den

kanunnik Thomas Southwell de zwarte kunst had beoefend en daarmede den

koning naar het leven had gestaan. Zij werd veroordeeld om in het

boetelingshemd door Londens straten gevoerd te worden, en verder naar

het eiland Man verbannen. Haar gemaal werd door zijn noodlot zes jaren

later achterhaald, naar het schijnt niet geheel onverdiend, al droeg

hij ook bij het volk den naam van den goeden hertog Humfried. Hij werd

in Bury Sint Edmond bij het parlement van hoogverraad beschuldigd en in

hechtenis genomen, maar vóór zijn zaak in onderzoek was, werd hij dood

in zijn bed gevonden. Weldra liep het gerucht, dat hij onder kussens

verstikt was, en het volk ontzag zich niet, de vreemde koningin en den

gehaten markies van Suffolk van de wandaad te beschuldigen.—Dat de

kardinaal Beaufort de hand in het spel zou gehad hebben, is volstrekt

onbewezen en wordt eerst bij den kroniekschrijver Hall gevonden, die

onder Hendrik VIII leefde. Slechts dit is waar, dat de prelaat kort na

Gloster stierf, maar hij had toen reeds zes jaren zich van het

staatstooneel geheel teruggetrokken. Zijn karakterschets heeft Sh. aan

genoemden kroniekschrijver ontleend, die den kardinaal als eergierig en

hebzuchtig schildert en hem ook op zijn sterfbed o. a. laat uitroepen:

„Waarom moet ik sterven, ik, die zoo vele rijkdommen bezit?”

Na den dood van Gloster was William de la Pole, die in 1448 tot hertog

van Suffolk verheven werd, de eigenlijke regent van Engeland. Hij zond

den hertog van York als stadhouder naar Ierland, ongetwijfeld om den

eerzuchtigen man van het hof verwijderd te houden. De hertog John van

Somerset, die op dezen post gerekend had, doodde in een vlaag van

wanhoop zichzelf. Slag op slag werd Engeland door onheilen getroffen.

In Frankrijk liep de Engelsche heerschappij te niet; Talbot en Edmund

van Somerset moesten, van alle hulp uit Engeland verstoken, voor de

Franschen bukken; niet alleen de veroveringen van Hendrik V, maar ook

de sinds drie eeuwen met de Engelsche kroon vereenigde erflanden der

Plantagenets gingen verloren en omstreeks 1450 was Calais de eenige

plaats op het vasteland, die nog in de macht der Engelschen was. Toen

verhief zich een geweldige storm tegen Suffolk; het huis der Gemeenten

beschuldigde hem van hoogverraad; hij wist zich met zooveel klem te

verdedigen, dat er geen doodvonnis kon uitgesproken worden, maar het

huis der Lords kon het niet wagen hem vrij te spreken; hij werd voor

vijf jaren verbannen en onderwierp zich aan het vonnis. Maar nauwelijks

had hij de haven van Dover verlaten om het kanaal over te steken, of

hij werd door eenige schepen, die op hem geloerd hadden, overvallen en

gevangengenomen; het woedend scheepsvolk sprak het doodvonnis over hem

uit; hij werd in een boot onthoofd en zijn lijk op het strand geworpen.

Op de kust van Kent, waar dit gebeurde, was het volk in gisting. Kort

na Suffolk’s dood in 1450, brak er een opstand uit, die tegen het huis

Lancaster gericht was, en waarvan de kroniek van Hall uitvoerig

gewaagt. Aan het hoofd stond een jonge Ier, van krachtigen

lichaamsbouw, John Cade, die, zeker om de talrijke aanhangers van het

huis Mortimer op zijn zijde te krijgen, zich voor een natuurlijken zoon

van den laatsten graaf van March uitgaf en den naam van John Mortimer

aannam. Aan het hoofd van twintigduizend man rukte hij op naar

Blackheath, zoo het heette om den koning de bezwaren van de gemeenten

van Kent mede te deelen, die ook schriftelijk verspreid werden; zij

behelsden zware beschuldigingen tegen de regeering en klaagden over de

verwijdering van den Hertog van York. Sir Humfried Stafford,—men zie de

geslachtslijst,—trachtte de oproerlingen met een handvol koninklijke

troepen van den rechter Theemsoever terug te drijven, maar werd

neergehouwen en John Cade tooide zich met de wapenrusting en sporen van

den gevallen ridder. Het hof rekende zich niet meer veilig in Londen,

week naar het slot Kenilworth in Warwickshire, en zond den

aartsbisschop van Canterbury en den hertog Humfried van Buckingham naar

het leger der opstandelingen om met hen te onderhandelen. John Cade

weigerde echter zijn leger te ontbinden, tenzij de koning in eigen

persoon tot hem kwam en al zijn vorderingen toestond.

Toen hij vernam, dat de koning naar Kenilworth geweken was en in den

Tower alleen een bezetting had achtergelaten onder bevel van Lord

Scales, brak hij naar Londen op, nam zijn verblijf in „Het witte hert”

in de voorstad Southwark, en trok den volgenden dag in Stafford’s

harnas over de brug en de city binnen. Op de grens sloeg hij met zijn

zwaard op den „Londener steen”, riep: „Nu is Mortimer meester van deze

stad” en reed met vorstelijke praal door de straten. Lord Say, een der

vrienden van Suffolk, schatbewaarder van het rijk, viel in zijn handen

en werd onthoofd; hetzelfde lot trof den schoonzoon van Say, Sir James

Cromer, die als Sheriff van Kent bijzonder streng was geweest. Beider

hoofden werden op twee lange palen door de straten gedragen, maar op

iederen hoek bij elkaar gehouden om „elkander te kussen.” Hierop

volgden allerlei verdere gruwelen, brandschatting, plundering,

terechtstellingen, bij welke laatste Cade ook zijn eigen volk niet

verschoonde, want wie ongehoorzaam was of hem geen genoegzamen eerbied

bewees, werd zonder genade onthoofd.

Eindelijk vermanden zich de burgers om tegenweer te bieden en grepen

naar de wapens; de bevelhebber van den Tower stond hen bij met geschut

en gaf hun een dapperen aanvoerder, Sir Matthias Gough, die in

Normandië wakker tegen de Franschen gestreden had. Na een schrikkelijk

gevecht bij nacht op de Londener brug, waarin Gough sneuvelde, gelukte

het, de opstandelingen terug te drijven naar den zuidelijken oever van

de Theems en hun de belofte af te persen, dat zij de city met vrede

zouden laten. Zij trokken af naar Rochester en kregen er twist over de

verdeeling van den buit; zij begonnen naar huis te verlangen; toen nu

de koning een algemeene vergiffenis af liet kondigen voor hen, die van

John Cade afvielen, verliep het geheele leger in een enkele nacht,

zonder hun aanvoerder vaarwel te zeggen. John Cade, op wiens hoofd een

prijs van duizend mark gesteld was, ontvlood te paard naar een

boschrijke streek en zwierf eenige dagen rond, tot hij door Alexander

Iden, Sheriff van Kent, in een tuin aangetroffen en strijdend gedood

werd.

Weldra werd de troon door een nog feller gevaar bedreigd. De

ontevredenheid was ook na Suffolk’s val algemeen; de weelde van het

hof, de druk der hovelingen, der groote heeren en der geestelijkheid

hield steeds aan; de koning deed niets en verdiepte zich slechts in

vrome mijmeringen; de koningin voerde voor hem het bewind en koos als

haar helper ’s konings neef, Edmund Beaufort, na den dood van zijn

broeder John, hertog van Somerset [4], die pas met de overblijfselen

van het Engelsche leger uit Normandië terug was gekeerd en in het oog

des volks de schuld droeg van de in Frankrijk ondervonden nederlagen;

hij werd tot groot-connetabel van het rijk benoemd, wat bij het volk en

een groot deel van den adel het misnoegen nog deed stijgen.—Onder deze

omstandigheden landde Richard, hertog van York, stadhouder van Ierland,

die, naar men beweerde, ook in den opstand van John Cade reeds de hand

had gehad, in den herfst van 1450 onverwachts op de kust van Wales,

verzamelde een vierduizend mannen en trok naar de hoofdstad om het

wanbestuur van Somerset te doen ophouden.

Hij had vele der machtigste edellieden op zijn zijde en wel met name de

familie der Nevils. Deze had, behalve haar oude erfgoederen,

belangrijke bezittingen door huwelijk in eigendom, de graafschappen

namelijk van Salisbury en Warwick; de vader had de eerstgenoemde,—de

zoon, de later als koningmaker beroemde Warwick, had de tweede

bezitting verworven door het huwelijk met de erfdochters der twee

graafschappen. De vrouwen uit deze familie gingen aanzienlijke

huwelijken aan; de gemalin van Richard van York zelf was een Nevil,

zuster van Lord Salisbury, dochter van Ralf Nevil, graaf van

Westmoreland, en van Johanna Beaufort, zooals in de geslachtslijst

vermeld is. Zulke edellieden hadden een groote macht, onderhielden

troepen, bezaten kanonnen en krijgsschepen, wat in een tijd, toen de

vorsten slechts over weinige troepen konden beschikken, van groote

beteekenis was; de steden en kasteelen der edelen waren vestingen.

Nabij Shakespeare’s geboortestad verhief zich het grootsche slot,

Warwick-castle, welks bouwvallen nog heden getuigen van de macht der

vroegere bezitters. En inderdaad, vorstelijk was de huishouding van

Richard, graaf van Warwick, den zoon van Lord Salisbury. Dagelijks

werden er,—zoo verhaalt een oude kroniek,—zes ossen voor zijn ontbijt

geslacht; in alle taveernen was van dit vleesch voorhanden, want wie in

zijn huis slechts eenigszins bekend was, mocht er zooveel gekookt of

gebraden vleesch uit medenemen, als hij op een langen dolk dragen

kon.—De graaf van Warwick was de meest beminde edelman in Engeland, een

der weinige, van wie het volk geloofde, dat zij voor de welvaart en de

eer van Engeland hart hadden; ja, het was overtuigd, dat, zoo de zaak

van hem had afgehangen, de veroveringen in Frankrijk niet verloren

zouden gegaan zijn.

Maar, al mocht Richard van York ook op Salisbury, Warwick en andere

invloedrijke edelen steunen, zoo snel als de dichter het voorstelt, was

de gang der gebeurtenissen niet. Hij trachtte aanvankelijk den Hertog

van Somerset door middel van het parlement te verdrijven, maar hoeveel

bijval hij bij het huis der Gemeenten vinden mocht, de hertog Edmund

van Somerset, door de koningin ondersteund, wist zich in het bewind te

handhaven. Eerst toen in 1452 de Hertog van York, steeds betuigende dat

hij den koning trouw was, met een groote legermacht naar Londen optrok,

om allen, die naar ’s volks oordeel verraders waren, uit ’s konings

raad te verwijderen, stemde de koning, die ook te velde was getogen,

toe, en beloofde, dat Somerset in hechtenis zou genomen worden. Toen

gebeurde, wat Shakespeare in het eerste tooneel van het vijfde bedrijf

voorstelt. York ontsloeg zijn leger en trad, vertrouwend op ’s konings

woord, in diens tent. Daar echter vond hij Somerset in vrijheid, even

fier als altijd; het kwam tot heftige woorden. York werd gevangen naar

Londen gevoerd; zijn zoon Edward rukte weldra tot ontzet aan, maar

eerst toen York in de Sint-Paulskerk gezworen had, levenslang een

getrouw vazal en onderdaan van zijn genadigen heer en koning te zullen

zijn, werd hij weder ontslagen.

Doch reeds in het volgende jaar vond hij weder aanleiding om zich te

roeren. In 1453 werd de tachtigjarige held Talbot, toen hij het land

bij de Garonne weder onder Engelsch bewind trachtte te brengen,

geslagen en met zijn zoon en vele anderen gedood; in den herfst

overviel den koning een zwakte zijner verstandelijke vermogens, die hem

voor de regeering ongeschikt maakte; terzelfder tijd beviel de koningin

van een zoon, waardoor voor York de hoop vervloog om op vreedzame wijze

eenmaal de kroon te erlangen. Hij wist van de ontevredenheid over den

loop der zaken in Frankrijk gebruik te maken om zich door middel van

het parlement van het regentschap te verzekeren; Somerset werd in

hechtenis genomen en, schoon men hem gerechtelijk niet aan verraad

schuldig kon verklaren, in den Tower opgesloten; York werd tot

„Protector en Defensor” van het rijk verklaard.

Maar York had ook vele tegenstanders, wier aantal vermeerderde, toen de

voornaamste ambten in handen der vrienden van York kwamen. In het

noorden stonden weldra de Percy’s, die reeds lang op de macht der

Nevils naijverig waren, met vele anderen in de wapens. Terwijl de

regent zelf tegen hen te velde toog, herstelde in Febr. 1455 plotseling

de koning, stelde Somerset in vrijheid en deze herkreeg door de gunst

der koningin weldra zijn vroegeren invloed. De Hertog van York moest,

reeds uit zucht tot zelfbehoud, zich doen gelden; hij verzamelde zijn

getrouwen, waaronder in de eerste plaats zijn zwager Henry Nevil, graaf

van Salisbury en diens zoon Warwick, verder Lord Cobham en vele anderen

en trok met drieduizend man op de hoofdstad aan, nog steeds zijn trouw

aan den koning betuigend. Bij Sint-Albaans stieten zij, 21 Mei 1455, op

tweeduizend gewapenden, met welke macht de hertogen van Somerset en

Buckingham, de graven van Northumberland en Pembroke, Lord Clifford en

vele anderen het hof naar Leicester wilden begeleiden. Nog eens

vorderde York de afzetting en bestraffing zijner tegenstanders, en op

het streng en weigerend antwoord volgde een hevig gevecht, dat vooral

door de onstuimige dapperheid van Warwick ten voordeele van York

beslist werd. Somerset, Northumberland, Clifford en vele anderen

vielen; Koning Hendrik zelf, door een pijlschot in den nek verwond,

geraakte in de macht der overwinnaars, die den volgenden dag met hem

naar Londen togen.

Shakespeare heeft den slag van Sint-Albaans, waarmede het tweede deel

van „K. Hendrik VI” eindigt, als het ware vereenzelvigd met den slag

van Northampton, die vijf jaren later, 10 Juli 1460, plaats vond en

waarin Warwick de strijdmacht der koningin geheel vernietigde. Want op

den slag van Sint-Albaans volgde niet onmiddellijk, zooals het in het

eerste tooneel van het derde deel van „K. Hendrik VI” wordt

voorgesteld, het optreden van York als kroonpretendent; hij stelde

zich, toen de koning weldra weder aan zijn vorige kwaal ter prooi was,

tevreden met de waardigheid van protector en moest de vrienden der

Lancasters nog steeds ontzien. Van 1455 tot 1459 was hij in

onophoudelijken strijd om het gezag met de koningin en haar aanhangers;

wel werd er in 1458 op verzoek van den weder herstelden koning

schijnbaar een zoen getroffen, maar weldra braken er weder onlusten

uit; er werd opnieuw naar de wapens gegrepen, in October 1459 werden

York en de zijnen bij Ludlow geslagen en op den rand des ondergangs

gebracht, maar in het volgend jaar werd op 10 Juli door den graaf van

Warwick en York’s oudsten zoon Edward een beslissende overwinning bij

Northampton behaald, waarin de Hertog van Buckingham en wel driehonderd

andere koningsgezinde edelen vielen, zoodat de koningin Margaretha met

haar zevenjarigen zoon hulpeloos en verlaten naar Schotland moest

vluchten.—Voor het overige waren de omstandigheden na den slag bij

Sint-Albaans en dien bij Northampton zeer gelijk; ook bij Northampton

viel de koning in de macht der overwinnaars en moest hen naar Londen

volgen, waar zij zich haastten de vruchten hunner overwinning door het

parlement te laten bekrachtigen.—De dichter mocht zich dus volkomen

gerechtigd achten om beide gebeurtenissen samen te smelten.

In het bovenstaande is bevat, wat de dichter in zijn bronnen voor zijn

doel verwerkt heeft.

I. 1. 124. Die Suffolk! ’s Hemels sulfervuur dien hertog! In ’t

Engelsch is het spelen met de klanken duidelijker: „For Suffolk’s duke,

may he be suffocate!” Zulke woordspelingen met namen zijn, vooral in

den mond van het volk, zeer gewoon.—Wil men van het spelen met de

klanken afzien, dan kan men vertalen: „Die Suffolk! stikk’ hij aan zijn

hertogdom!”

I. 1. 132. Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk Zoo groot

bedrag, een vijftiende durft vragen Voor ’t halen en de kosten van den

tocht. Het vijftiende, dat Suffolk vraagt, is hoogstwaarschijnlijk de

vijftiende penning, die tot bestrijding van de kosten van den tocht

geheven zou worden, in plaats van den tienden penning, waar de koning

vroeger (I K. Hendrik VI, V, 5. 93.) van gesproken had. De buitengewone

belastingen, die het parlement toestond, werden over de ingezetenen

naar hun geschat inkomen omgeslagen en heetten tiende of vijftiende,

naarmate er van iederen tienden of vijftienden penning een penning

moest betaald worden. Een vijftiende, dus een inkomsten-belasting van

6⅔ ten honderd, komt in de oudere Engelsche geschiedenis niet zelden

voor. Men bedenke bij de beoordeeling, dat zulke belastingen tot de

buitengewone heffingen behoorden, en dat het geschatte, niet het

geheele inkomen getroffen werd.—Delius verklaart dit vijftiende als het

vijftiende deel van de opbrengst der belastingen; is deze opvatting de

ware, dan kan de vertaling der plaats luiden:

Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk

’t Vijftiende deel der lasten van het volk

Vraagt voor de kosten van den overtocht.

I. 1. 194. En uwe daden, broeder York, in Ierland. York ging eerst vier

jaar later als onderkoning naar Ierland. Salisbury noemt York broeder,

omdat deze met zijn zuster, Cecilia Nevil, gehuwd was.

I. 1. 207. Dit zegt ook York, hij heeft den meesten grond. Namelijk als

erfgenaam van ’t rijk; de stervende Mortimer had York,—zie 1 K. Hendrik

VI, II, 5,—met zijn rechten bekendgemaakt. In den volgenden regel zegt

Salisbury in het oorspronkelijke: „look into the main”, let op de

hoofdzaak, waarop dan de woordspeling met het eveneens klinkende Maine

volgt; de vertaler moest zich hier met mijne en Maine redden.

I. 1. 234. Als eens Althæa’s onheilzwanger brandhout Voor ’t harte van

den Prins van Calydon. De prins van Calydon is Meleager, die volgens de

oud-Grieksche mythe zoo lang leven zou, als een stuk hout, dat zijn

moeder Althæa uit de vlammen gered had en bewaarde, onverbrand zou

blijven.

I. 1. 240. Daarom sluit ik mij bij de Nevils aan. De Nevils: Salisbury

en Warwick.

Koning Hendrik de Zesde · 第 100 / 165 题