Een veld bij Sint-Albaans.
Strijdgedruisch; terugtocht. Trompetgeschal; daarop komen York, Richard
Plantagenet, Warwick en Troepen op, met trommen en vaandels.
YORK. Wie weet iets van den ouden Salisbury?
Dien winterleeuw, die in zijn fiere woede
Al ’t kneuzen, schuren van den tijd vergeet,
En, als een held in ’s levens vaag, zijn kracht
Hernieuwt door ’t strijden? Deze blijde dag
Verloor zijn glans, geen voetbreed is gewonnen,
Zoo Salisbury ontbreekt.
RICHARD. Mijn eed’le vader,
Ik hielp hem heden driemaal op zijn paard,
Stond driemaal over hem, en voerde driemaal
Hem weg, ontried hem telkens verd’ren strijd;
Maar telkens, waar gevaar was, vond ik hem;
Als in een arme hut een rijk tapijt,
Zoo was in ’t oude, zwakke lijf zijn wil.
Doch zie, hij komt, en edel als altoos. 14
(Salisbury komt op.)
SALISBURY. Nu, bij mijn zwaard, gij hebt u braaf gekweten;
Dat deden we allen, ja!—Ik dank u, Richard;
God weet, hoe lang ik nog te leven heb;
En ’t was zijn wil, dat gij op heden driemaal
Mij redden zoudt uit dreigend doodsgevaar.—
Doch, lords, nog is het onze ’t onze niet;
’t Is niet genoeg, dat onze vijand vlood;
Hij kan,—het is zijn aard,—zich ras herstellen.
YORK. Ik weet het, in ’t vervolgen ligt ons heil,
Want Hendrik, naar ik hoorde, vlood naar Londen,
En roept zijn parlement er daad’lijk op.
Vervolgt hem dus, eer hij het op kan roepen!
Wat dunkt lord Warwick? zetten wij hem na?
WARWICK. Hem na? Neen, komen we, als het kan, hem voor!
Bij God, mylords, dit was een dag van roem;
De slag, door den roemruchten York gewonnen,
Van Sint-Albaans, blijft eeuwig wijd vermaard.—
Klinkt, trom en krijgsklaroen!—Naar Londen allen;
Moog’ zulk een dag ons meer ten deele vallen!
(Allen af.)