Sint-Albaans.
Krijgsgedruisch; schermutselingen. Warwick komt op.
WARWICK. Clifford van Cumberland, hoor Warwick’s roep!
Indien gij niet u voor den beer verschuilt,
Nu de verbolgen krijgstrompet alarm blaast
En stervenskreten de ijle lucht vervullen,
Dan zeg ik, Clifford, kom en vecht met mij!
Noordlandsche trotsche lord van Cumberland,
Kom, Clifford! Warwick riep zich heesch om u.
(York komt op.)
Hoe is het, eed’le lord, waarom te voet?
YORK. Clifford’s verdelgershand versloeg mijn ros;
Maar leer om leer heb ik het hem vergolden,
En ’t wakker dier, dat steeds zijn liev’ling was,
Werd door mijn hand een buit van raaf en kraai.
(Clifford komt op.)
WARWICK. Voor een van ons, of beide’, is ’t uur nu daar.
YORK. Neen, Warwick, neen, zoek gij u ander wild;
Dit hert zij mijn; dit jage ikzelf ter dood.
WARWICK. Dan vorstlijk, York, uw strijd is om een kroon.—
Zoo waar ik heden hoop op zege, Clifford,
Is ’t hard, den strijd met u niet aan te gaan.
(Warwick af.)
CLIFFORD. Wat ziet gij, York, in mij? waartoe dit talmen?
YORK. Ik wierd op uwe dapperheid verliefd.
Indien gij niet zoo fel mijn vijand waart.
CLIFFORD. Ook uwen moed ontbrak het niet aan lof, 22
Indien hem niet de blaam van trouwbreuk smette.
YORK. Zoo help’ hij mij bij ’t kampen met uw zwaard,
Zoo waar ik hem voor mijn goed recht wil staven.
CLIFFORD. Mijn lijf en ziele beide op dezen strijd!
YORK. Een schrikk’lijke inzet! Sta gereed en weer u!
(Zij vechten. Clifford valt.)
CLIFFORD. La fin couronne les oeuvres!
(Hij sterft.)
YORK. Zoo gaf de krijg u vrede; gij zijt stil!
Zij vrede ook met uw ziel, zoo God het wil!
(York af.)
(De jonge Clifford komt op.)
DE JONGE CLIFFORD. Schande en verwarring! Alles wijkt en vlucht.
Door vrees wordt orde wanorde, en verwondt
Wat zij moest hoeden. Krijg, gij zoon der hel,
Dien ’s hemels gramschap zich tot dienaar kiest,
Werp in de ijskoude borsten van ons leger
Der wrake kolen!—Dat geen krijger vlied’!
Wie waarlijk zich den krijg wijdt, kent geen zucht
Tot zelfbehoud; en die zichzelf bemint,
Erlangt niet naar zijn wezen, slechts door toeval,
Den naam van dapper.—
(Hij ziet het lijk zijns vaders.)
Booze ’wereld, eindig!
En gij, vervroegde vlammen des gerichts,
Boeit aarde en hemel saâm!
Weergalme nu des jongsten dags bazuin,
En overstemm’ die elken aardschen klank,
Elk klein geraas!—Was ’t u beschoren, vader,
In vrede uw jeugd te zien verloren gaan,
Om in de’ eerwaarden tooi der wijze grijsheid,
In uwe leunstoeldagen, zoo te sterven
In ’t wilde slaggewoel?—O, bij deze’ aanblik
Versteent mijn hart, en zal, zoolang het mijn is,
Steen blijven. York spaart onze grijsaards niet,
Zoo ik hun wichtjes niet; mij zullen tranen
Van maagden zijn, wat dauw is voor het vuur;
En schoonheid, die een woestaard vaak verzacht,
Voor ’t blaken van mijn toorn als vlas en olie.
Niets wil ik nu voortaan van deernis weten;
Zoo ik een zuigling vind van ’t huis van York,
Ik houw dien zoo in hapjes, als de woeste
Medea ’t eens den jonge’ Abyssus deed;
Mijn wreedheid zij het, die mij roem verwerve.
Kom, gij, nieuw puin van ’t huis des ouden Cliffords,
(Hij neemt het lijk op.)
Als eens Æneas de’ oude’ Anchises droeg,
Zoo draag ik u thans op mijn manneschouders;
Maar hij droeg toen een last, die leven had,
Niet half zoo zwaar als dit mijn harteleed.
(De jonge Clifford af.)
(Richard Plantagenet en Somerset komen op, vechtende. Somerset wordt
gedood.)
RICHARD. Zoo, lig gij daar!— 66
Want onder eener herberg uithangschild,
„’t Kasteel van Sint-Albaans”, schonk Somerset
Dien geestbezweerder in zijn dood nog roem.
Zwaard, blijf gestaald; u, hart, zij wrok geboden:
Voor haters bidden priesters, prinsen dooden.
(Richard af.)
(Strijdgedruisch; schermutselingen. Koning Hendrik, Koningin Margaretha
en Anderen komen op, terugtrekkende.)
KONINGIN MARGARETHA. Voort, mijn gemaal! wat draalt gij? berg het lijf!
KONING HENDRIK. Is Gods wil ooit te ontgaan? mijn gade, blijf!
KONINGIN MARGARETHA. Wat zijt gij toch, die vechten wilt noch vluchten?
Nu is het kloekheid, wijsheid, tegenstand,
Te wijken voor den vijand, ons te bergen
Door wat wat wij kunnen, en dit is—slechts vlucht.
(Strijdgedruisch op een afstand.)
Zoo men u vangt, dan zien wij ook den bodem
Van al ons heil; maar als de vlucht gelukt,—
Wat licht, tenzij gij sammelt, ons gebeurt,—
Dan zijn wij dra te Londen, waar men u
Genegen is, en waar wij deze bres
In ons geluk gemakk’lijk kunnen dichten.
(De jonge Clifford komt weder op.)
DE JONGE CLIFFORD. Wanneer mijn hart niet zon op verder onheil,
Dan vloekte ik God, eer ik tot vluchten ried;
Maar vluchten moet ge; onheelb’re moedeloosheid
Beheerscht het hart al onzer vrienden hier.
Voort, redt u; opdat we eens een dag beleven
Als zij nu, wij ons lot hun wedergeven!
Voort, voort, mijn vorst, van hier!
(Allen af.)