Een veld tusschen Dartford en Blackheath.
Aan de eene zijde het legerkamp des Konings. Van de andere zijde komt
York op met Gevolg, met trommen en vaandels; zijn Troepen op eenigen
afstand.
YORK. Zoo komt uit Ierland York en eischt zijn recht,
En rukt de kroon van ’t hoofd des zwakken Hendriks;
Galmt, klokken, luid; brandt, vreugdevuren, schitt’rend,
En groet den echten vorst van ’t machtig England.
Sancta majestas! wie kocht u niet duur?
Dat hij gehoorzaam’, die niet heerschen kan;
De hand hier werd gevormd om enkel goud,
Niets anders, te hanteeren; aan mijn woorden
Kan zij de volle kracht en klem niet geven,
Geeft niet een zwaard of scepter ’t juist gewicht.
En bij mijn ziel, een scepter zal zij hebben,
Waarop ik Frankrijks leliën hechten wil.
(Buckingham komt op.)
Wie komt daar,—Buckingham?—om mij te storen?
De koning zendt hem wis; ik moet nu huich’len.
BUCKINGHAM. Zoo gij als vriend komt, York, dan groet ik vriendlijk.
YORK. Humfried van Buckingham, dank voor uw groet.
Komt gij als bode hier, of uit uzelf?
BUCKINGHAM. Vanwege Hendrik, onzen heer en vorst,
Vraag ik: waartoe in vrede deze waap’ning?
Waarom hebt gij, een onderdaan als ik,
Trots uwen eed en uw bezworen trouw,
Zulk leger zonder machtiging gelicht,
En waagt gij, ’t zoo nabij het hof te brengen?
YORK (ter zijde). Ik spreek met moeite, zoo vergramd ben ik.
O, rotsen kon ik kloven, keien werpen,
Zoo toornig word ik bij die snoode taal;
Ja, ’k zou nu, zooals Ajax Telamonius,
Mijn woede op ossen en op schapen koelen.
Ik ben veel hooggeboor’ner dan de koning,
Meer koning in mijn denken, in mijn aard;
Doch ik moet nog een wijl mooi weder spelen,
Tot Hendrik zwakker is en sterker ik.—
(Luid.) O, Buckingham, houd, bid ik, mij ten goede,
Dat ik u al dien tijd geen antwoord gaf;
Mijn geest was van zwaarmoedigheid bevangen.
Ik wil,—dit is mijn doel met deze heermacht,—
Den trotschen Somerset het hof doen ruimen,
Wijl hij den koning en het rijk verraadt. 37
BUCKINGHAM. Te veel aanmatiging van u, voorwaar!
Intusschen, heeft uw tocht geen ander doel,
Dan heeft de koning uw verzoek bewilligd;
De hertog Somerset is in den Tower.
YORK. Dus is hij, op uw eer, een staatsgevang’ne?
BUCKINGHAM. Ja, op mijn eer, hij is een staatsgevang’ne.
YORK. Dan, Buckingham, dank ik mijn leger af.—
Hebt, mannen, allen dank; verstrooit u thans;
Komt morgen tot mij, op ’t Sint George’s veld,
Dan krijgt gij uw soldij, al wat gij wenscht.
En zoo mijn vorst, de deugdenrijke Hendrik,
Mijn oudsten zoon begeert, ja, al mijn zoons,
Als panden van mijn liefde en trouw, ik zend
Hem, zoo gewillig als ik leef, die allen;
Land, goedren, paarden, waap’nen,—wat ik heb,
’t Is tot zijn dienst, zoo Somerset maar sterft.
BUCKINGHAM. Die need’rige onderwerping prijs ik, York;
Gaan wij te zamen naar des konings tent.
(Koning Hendrik treedt op, met Gevolg.)
KONING HENDRIK. Is, Buckingham, van York niets kwaads te duchten,
Dat gij zoo met hem aankomt, arm in arm?
YORK. In alle need’righeid, vol onderwerping,
Verschijnt hier York voor uwe majesteit.
KONING HENDRIK. En wat bedoelt de krijgsmacht, die gij meebrengt?
YORK. Den valschen Somerset van hier te drijven,
En de’ aartsverrader Cade een les te geven;—
Ik hoor eerst nu, dat hij verslagen is.
(Iden komt op, met Cade’s hoofd.)
IDEN. Als een eenvoudig man, zoo laag van rang,
Voor de oogen van een koning treden mag,
Breng ik uw hoogheid eens verraders hoofd,
Van Cade, in tweegevecht door mij gedood.
KONING HENDRIK. Het hoofd van Cade?—O God, gij zijt rechtvaardig!—
O, laat mij het gelaat des dooden zien,
Die levend zooveel onrust mij gewrocht heeft.
Zeg, vriend, zijt gij de man, die hem versloegt?
IDEN. Ik was ’t, indien ’t uw majesteit behaagt.
KONING HENDRIK. Hoe is uw naam, en hebt gij een’gen rang?
IDEN. Alexander Iden is mijn naam, uit Kent,
Een need’rig grondheer, die zijn vorst bemint.
BUCKINGHAM. Zoo ’t u behaagt, mijn vorst, het ware goed,
Voor zulk een dienst tot ridder hem te slaan.
KONING HENDRIK. Kniel neder, Iden.—(Iden knielt.) Sta als ridder op. 78
Wij geven u tot loon éénduizend mark,
En willen, dat gij voortaan om ons zijt.
IDEN. Moge Iden leven, zulk een goedheid waardig;
Hij leve niet, dan trouw aan zijnen vorst.
(Hij rijst op.)
KONING HENDRIK. Zie, Buckingham! mijn vrouw met Somerset!
Ga, zeg haar, ras voor York hem te verbergen.
(Koningin Margaretha en Somerset komen op.)
KONINGIN MARGARETHA. Zijn hoofd verberg’ hij voor geen duizend Yorks,
Maar zie met fieren blik hem in ’t gelaat.
YORK. Wat, Somerset in vrijheid? Nu dan York,
Ontboei uw langgekerkerde gedachten,
En zij uw tong de trouwe tolk van ’t hart.
Zou ik het zien van Somerset verdragen?—
Gij, valsche koning, braakt gij mij uw woord,
Ofschoon gij weet, hoe noode ik krenking duld?
Noemde ik u koning? neen, gij zijt geen koning;
Zoudt gij ooit menigten besturen, teug’len,
Die geen verrader teug’len durft noch kunt?
Uw hoofd daar is niet voor een kroon gevormd,
Uw hand slechts om een pelgrimsstaf te grijpen,
Een echten vorstenscepter siert zij niet.
Dat goud omspann’ geen voorhoofd dan het mijne,
Welks lach of dreiging, als Achilles’ speer,
Door zijn verand’ring dooden kan of heelen.
Hier is een hand, die, hoog den scepter houdend,
’t Gezag der wetten klem verleenen kan.
Maak plaats; bij God! gij zult geen heerscher zijn
Van hem, dien God tot uwen heerscher schiep.
SOMERSET. O aartsrebel!—In hecht’nis neem ik u
Om hoogverraad aan vorst en kroon! Gehoorzaam;
Kniel, driest verrader; vraag genade, York.
YORK. Ik knielen? laat mij eerst aan dezen vragen,
Of ’t hun behaagt, dat York voor iemand kniel’.
Vriend, roep gij hier mijn zoons om borg te zijn;
(Een van York’s volgers af.)
Ik weet, eer zij me in hecht’nis laten gaan,
Verpanden zij hun zwaard voor mijn bevrijding.
KONINGIN MARGARETHA. Roep Clifford hier; zeg hem terstond te komen;
Hij zegge ons, of de bastaardzoons van York
Huns valschen vaders borgen kunnen zijn.
(Buckingham af.)
YORK. Napolitaansche, gij, met bloed bespat,
Napels’ verstoot’ling, Englands doornenroê;
York’s zonen, uwe beet’ren in geboorte,
Zij zullen ’s vaders borgen zijn; wee hem,
Die mijner zonen borgtocht weig’ren durft. 121
(Edward en Richard Plantagenet komen van de eene zijde met troepen op;
van de andere, eveneens met troepen, de oude Clifford en zijn Zoon.)
Daar zijn zij, ziet; ik zweer, hun pand is goed.
KONINGIN MARGARETHA. En Clifford hier wijst hunnen borgtocht af.
CLIFFORD. Geluk en welvaart aan mijn heer en koning!
(Hij knielt.)
YORK. Ik dank u, Clifford; spreek, wat komt gij melden?
Neen, maak ons niet verschrikt door booze blikken;
Wìj zijn uw koning, Clifford; kniel nog eens;
En deze uw dwaling willen we u vergeven.
CLIFFORD. Daar staat mijn koning, York; ik dwaal hier niet;
Maar gij dwaalt zeer, zoo gij mij dwalend acht;—
Brengt hem naar ’t dolhuis! is de man waanzinnig?
KONING HENDRIK. Ja, Clifford, eerzucht en een vlaag van waanzin
Drijft hem tot weêrstand aan zijn koning aan.
CLIFFORD. Een aartsverrader; zend hem naar den Tower,
En sla zijn muitziek hoofd hem van den romp.
KONINGIN MARGARETHA. Hij is er toe verwezen, maar hij weigert;
Zijn zonen, zegt hij, spreken goed voor hem.
YORK. Dat doet gij, zoons, niet waar?
EDWARD. Ja, eed’le vader, zoo ons woord iets geldt.
RICHARD. En gelden woorden niet, dan geldt ons zwaard.
CLIFFORD. Ziet, welk een broedsel is dit van verraders!
YORK. Zie in den spiegel, geef uw beeld dien naam;
Ik ben uw koning, gij een valsch verrader.—
Roept aan den paal hier mijn twee wakk’re beren,
Opdat het ramm’len hunner keet’nen reeds
Dien kwaden honden schrik in ’t harte jaag’;
Zegt Salisbury en Warwick, hier te komen.
(Getrommel. Warwick en Salisbury komen op, met troepen.)
CLIFFORD. Is dat uw berenpaar? wij hitsen ’t dood,
En leggen dan hun hoeder in hun keet’nen,
Als gij hen op de kampplaats brengen durft.
RICHARD. Vaak zag ik, hoe een felle, heete hond
Omsprong en beet, omdat men hem weerhield,
Maar losgelaten op den berenklauw,
Met ingetrokken staart begon te janken;
En zulk een stuk voert gij waarschijnlijk op,
Als gij u met lord Warwick waagt te meten.
CLIFFORD. Weg, aardkluit van Gods toorn, onmooglijk wezen,
Van ziel en lichaam evenzeer verdraaid! 158
YORK. Geduld, gij krijgt het warm, als we u bestoken.
CLIFFORD. Pas op, dat niet uw hitte uzelf verbrand’!
KONING HENDRIK. Nu, Warwick, heeft uw knie verleerd te buigen?
En Salisbury, schande op uw zilv’ren haar,
Gij dwaas misleider van uw dollen zoon!—
Wat! op uw doodsbed speelt gij nog den woestaard
En zoekt met uwen bril het onheil op?
O, waar is trouw, waar is aanhank’lijkheid?
Is zij verbannen van ’t besneeuwde hoofd,
Waar zal zij dan op aarde herberg vinden?—
Wilt gij een graf, om krijg te vinden, delven,
Met bloed uw eerlijke’ ouderdom onteeren?
Waartoe werdt ge oud, zoo gij ervaring derft?
Of hebt gij die, waarom misbruikt gij haar?
O, schaam u, buig naar plicht voor mij uw knie,
Die reeds naar ’t graf zich buigt door hoogen leeftijd.
SALISBURY. Mylord, gewogen heb ik in mijzelf
De aanspraken van den hoogberoemden hertog,
En naar geweten acht ik volgens ’t recht
Hem erfgenaam van Englands koningstroon.
KONING HENDRIK. Hebt gij mij niet als leenman trouw gezworen?
SALISBURY. Dat heb ik.
KONING HENDRIK. Kunt gij voor God u van deze’ eed ontslaan?
SALISBURY. ’t Is groote zonde, op zonde een eed te doen,
Doch grooter zonde, een zondige’ eed te houden.
Wie kan zich door een heil’gen eed verbinden.
Een moord te doen, diefstal en roof te plegen,
Een kuische maagd der reinheid bloem te ontwringen,
Een wees van ’s vaders erfdeel te versteken,
Een weduw haar gerechtlijk deel te ontrooven,—
En zonder een’gen and’ren grond voor ’t onrecht,
Dan dat een plechtige eed er hem toe bond?
KONINGIN MARGARETHA. Drogreed’nen staan verraders steeds ten dienste.
KONING HENDRIK. Roep Buckingham en zeg, dat hij zich waap’ne.
YORK. Roep Buckingham en al uw vrienden op;
Ik ben besloten: dood of ’t koningschap!
CLIFFORD. Ik sta voor ’t eerste u in, zoo droomen waar zijn.
WARWICK. Best gingt gij naar uw bed om weer te droomen;
Gij waart er veilig voor des slagvelds storm.
CLIFFORD. Ik ben besloten grooter storm te tarten,
Dan uw bezwering heden op kan roepen;
En dit zal ik u op uw stormhoed schrijven,
Zoo ik aan ’t teeken van uw huis u ken. 201
WARWICK. Nu, bij mijns vaders Nevil’s helmtooi,
Den opgerichten beer aan de’ ouden paal,
Hoog wil ik heden mijnen stormhoed dragen,—
Zooals de ceder op een bergtop uitsteekt,
Maar, hoe de storm ook loei’, haar kroon bewaart,—
Om u te ontzetten door ’t gezicht er van.
CLIFFORD. En van uw stormhoed ruk ik u dien beer
En treed dien vol verachting in het stof;
Ja, trots den hoeder, die den beer beschermt.
DE JONGE CLIFFORD. En, nu ten strijd, mijn zegerijke vader,
Ter fnuiking van de muiters en hun bent!
RICHARD. Foei, christ’lijk! schaam u! niet die felle taal!
U wacht bij Jezus Christus ’t avondmaal.
DE JONGE CLIFFORD. Geteekende, wis niet door uw bestel!
RICHARD. Gij vaart, zoo niet ten hemel, wis ter hel.
(Allen af, naar verschillenden kant.)