Het kasteel Kenilworth.
Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha en Somerset
verschijnen op het terras van het kasteel.
KONING HENDRIK. Zat ooit op een’gen aardschen troon een koning,
Wien niet meer vreugd ten dienste stond dan mij?
Ik was mijn wieg te nauwernood ontkropen,
Of, negen maanden oud, werd ik reeds koning;
Nooit wenschte een onderdaan zoo, vorst te worden,
Als ik verlang een onderdaan te zijn.
(Buckingham en Clifford komen op, boven.)
BUCKINGHAM. Geluk en blijde tijding aan uw hoogheid!
KONING HENDRIK. Spreek, Buckingham, is die verrader Cade
Gevat, of week hij slechts om macht te gâren?
(Beneden komt een aantal aanhangers van Cade op, allen met stroppen om
den hals.)
CLIFFORD. Hij vlood, Heer, heel zijn aanhang gaf zich over,
En wacht, met stroppen om den hals, ootmoedig
Op de uitspraak van uw hoogheid, dood of leven.
KONING HENDRIK. Zet, hemel, dan uw eeuw’ge poorten open, 13
En dat mijn dank en lof u welkom zij!—
Gij, krijgers, heden kocht ge uw leven vrij;
Gij toont mij, hoe ge uw land en vorst bemint;
Blijft steeds zoo welgezind, en weest verzekerd,
Dat gij, schoon Hendrik ongelukkig zij,
Hem nimmer liefdeloos bevinden zult.
En zoo, u allen dankend en vergevend,
Zend ik u, ieder naar zijn haardsteê, heen.
ALLEN. God behoede den koning! God behoede den koning!
(Een Bode komt op).
BODE. ’t Behage uw hoogheid, mijn bericht te hooren:
Zoo even komt de hertog York uit Ierland,
En rukt, met groote en sterke legermacht,
Van Galloglassen en van forsche Kernen,
Recht trotsch geschaard, naar hier, alom verkondend,
Dat hij geen ander doel heeft met zijn waap’ning,
Dan van het hof den hertog Somerset,—
Hij noemt dien een verrader,—te verwijd’ren.
KONING HENDRIK. Zoo ben ik tusschen Cade en York benard,
Gelijk een schip, dat juist een storm ontsnapt,
Pas rustig, door een kaper wordt geënterd;
Die Cade is pas verjaagd, zijn macht verstrooid,
Of York snelt, tot zijn hulp gewapend, aan.
Ga, bid ik, Buckingham, hem te gemoet,
Vraag hem de reden van zijn tocht, en zeg,
Dat hertog Edmond naar den Tower op weg is;—
Dien geef ik, Somerset, u tot verblijf,
Maar slechts, tot hij zijn macht heeft afgedankt.
SOMERSET. Ik ga, mijn vorst, gewillig in die hecht’nis,
Of in den dood, zoo dit mijn land kan baten.
KONING HENDRIK (tot Buckingham). Maar bezig, hoe ’t ook ga, geen
barsche taal,
Want heftig is hij en verdraagt dit niet.
BUCKINGHAM. ’k Herdenk dit, Heer; verwacht van mijn beleid,
Dat alles zich ten uwen beste keert.
KONING HENDRIK. Kom, vrouw, gaan wij van hier; en ’t rijksbeheer
Zij beter thans geleerd, want, ja! tot nu
Heeft England grond, mijn rampbestuur te vloeken.
(Allen af.)