TIENDE TOONEEL.

Kent. Iden’s tuin.

Cade komt op.

CADE. O foei die eerzucht! foei ikzelf, dat ik een zwaard heb en toch

op het punt sta om van honger te sterven! Deze vijf dagen heb ik mij in

deze bosschen schuil gehouden en durfde niet uitkijken, want het

geheele land loert op mij: maar nu ben ik zoo hongerig, dat ik het niet

langer uit kan houden, al kreeg ik er mijn leven ook duizend jaar voor

in pacht. Daarom ben ik over den muur in dezen tuin geklauterd om te

zien, of ik er wat malsch gras kan eten, of haver in plaats van helm,

en ter afwisseling wat slâ, wat in dit heete weer een mensch zijn maag

een weinigje kan afkoelen. Helm! waarachtig, ik geloof, dat dit woord

helm in de wereld is gekomen, om mij in het leven te houden; want menig

keer zou zonder mijn helm mijn hersenpan door een hellebaard gespleten

zijn geworden, en menig keer, als ik dorstig was en een stevigen tocht

deed, heeft het mij voor een kwartpint gediend om uit te drinken, en nu

heeft het woord helm mij voor spijs moeten dienen.

(Iden komt op, met Dienaars, die op den achtergrond blijven.)

IDEN. O God, wie wil in ’t hofgewoel verkeeren,

Die zulk een rustig wandelplekje heeft?

Dit kleine goed, dat mij mijn vader naliet,

Bevredigt mij, is mij een koninkrijk.

Hier zoek ik niet door and’rer val te stijgen,

Niet rijk te worden, aangegluurd door nijd;

Ik heb genoeg, Goddank, om van te leven,

Ja, kan er de armoê nog iets meê van geven.

CADE. Daar komt de heer van den grond en zal mij grijpen als een

landlooper, omdat ik zonder verlof zijn erf heb betreden. Ha! schurk,

gij wilt mij verraden en een duizend kronen van den koning verdienen

door hem mijn hoofd te brengen; maar ik zal u ijzer leeren eten als een

struis en mijn zwaard laten slikken als een groote speld, eer wij

tweeën van elkander scheiden.

IDEN. Gij onbeschofte knaap, wie ge ook moogt zijn,

Ik ken u niet; wat zou ik u verraden?

Is ’t niet genoeg, dat ge inbraak hebt gepleegd,

En als een dief hier in mijn hof komt stelen,

Den muur, trots mij, den eig’naar, overklomt,

Moet gij ook nog met drieste taal mij hoonen?

CADE. U hoonen, ja bij het beste bloed, dat ooit afgetapt is geworden,

en u trotsen bovendien. Zie mij goed aan; ik heb in geen vijf dagen

iets gegeten; maar toch, kom eens op met uw vijf kerels, en als ik u

niet allen doodsla, dood als een pier, dan mag God geven, dat ik nooit

meer één grassprietje te eten krijg. 44

IDEN. Neen, nimmer zegg’ men, zoolang England staat,

Dat Alexander Iden, Kenter landheer,

Met overmacht een hong’rig man bevocht.

Richt vast uw starend oog nu op het mijne,

En zie, of gij met blikken mij bedwingt;

Zet lid bij lid, en gij zijt veel geringer;

Uw hand is slechts een vinger bij mijn vuist,

Uw been een stok, naast dezen stam gezien,

Mijn voet zoo sterk als heel uw lichaamskracht;

En zoo ik in de lucht mijn arm verhef,

Is u in de aard alreeds uw graf gedolven.

Maar neen, voor grootspraak, die op snoeven antwoordt,

Berichte u dit mijn zwaard wat ik niet zeg.

CADE. Bij mijn manhaftigheid, de grootste vechtersbaas, waar ik ooit

van gehoord heb!—Nu gij, mijn staal, als gij uw snede omlegt, of dien

grofgeschonkten pochhans niet in stukken ossenvleesch kapt, eer gij in

uw scheede gaat slapen, dan bid ik God op mijn knieën, dat gij tot

hoefnagels moogt versmeed worden. (Zij vechten; Cade valt.) O, ik ben

geveld! De honger, en niets anders, heeft mij neergeveld; laten er

tienduizend duivels tegen mij opkomen en geef mij maar de tien

maaltijden, die ik gemist heb, en ik neem het tegen allen op. Verdor,

gij tuin, en wordt van nu af de begraafplaats van allen, die in dit

huis wonen, omdat hier de onbedwingbare ziel van Cade ontvloden is. 70

IDEN. Wat! Cade is ’t, dien ik velde, de aartsverrader?

Geheiligd zijt gij, zwaard, om deze daad;

Hang daarom, als ik dood ben, op mijn graf;

Dit bloed zij nimmer van uw punt gewischt,

Gij zult het dragen als een wapenkleed,

Dat de eer verkondigt, die uw heer zich won.

CADE. Iden, vaarwel en wees trotsch op uw overwinning. Zeg tot Kent van

mij, dat het zijn besten zoon verloren heeft, en spoor de geheele

wereld aan om lafaards te zijn, want ik, die nooit iemand vreesde, ben

overwonnen door den honger, niet door dapperheid.

(Hij sterft.)

IDEN. Hoe gij mij onrecht doet, beslisse God!

Sterf, schurk, gij vloek der moeder, die u droeg!

En zooals ik mijn zwaard in ’t lijf u stiet,

Stiet ik volgaarne uw ziel nu naar de hel.

Thans sleep ik bij uw hielen u van hier

Naar gindschen mesthoop, die uw graf zal zijn;

Daar houw ik dat afschuwlijk hoofd u af,

Dat ik den koning zegevierend breng,

Terwijl zich aan uw romp de kraaien mesten.

(Iden, het lijk wegsleepende, met zijn Dienaars af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 95 / 165 题