Southwark.
Strijdgedruisch. Cade komt op, met al zijn gepeupel.
CADE. De Vischstraat op! dan af naar den Sint-Magnushoek! Slaat dood,
velt ze neer! smijt ze in de Theems!—(Er wordt een sein geblazen voor
een mondgesprek, daarna het sein ter terugroeping.) Heeft daar iemand
het hart, terugroeping of onderhandeling te blazen, als ik last geef,
alles dood te slaan?
(Buckingham en de oude Clifford komen op, met troepen.)
BUCKINGHAM. Ja, hier zijn zij, die ’t wagen u te storen.
Weet, Cade, als afgezanten zijn wij hier
Des konings aan ’t door u verleide volk;
Wij zeggen aan een elk vergiff’nis toe,
Die u verlaat en rustig huiswaarts keert.
CLIFFORD. Wat kiest gij, landgenooten? de genade,
Die onderwerping nog erlangt, of moet
Een oproerling u voeren in den dood?
Wie ’t met den koning houdt, vergiff’nis wenscht,
Die zwaai’ zijn muts en roep’: „Den koning heil!”
Doch wie hem haat, zijn vader niet vereert,
Dìen Hendrik, die gansch Frankrijk sidd’ren deed,
Die dreige ons met zijn wapen en trekk’ voort.
ALLEN. Den koning heil! den koning heil!
CADE. Wel, wel, Buckingham en Clifford, zijt gij zoo dapper?—En gij,
laffe boeren, gelooft gij hen? wilt gij volstrekt gehangen worden met
uw pardon om den hals? Heeft mijn zwaard daarom de poort van Londen
opengebroken, opdat gij mij bij het Witte Hert in Southwark in den
steek zoudt laten? Ik dacht, dat gij die wapens nooit zoudt
nederleggen, aleer gij uw oude vrijheid herwonnen hadt, maar gij allen
zijt afvalligen en lafaards en ’t is u een genot, in de slavernij van
den adel te leven. Nu, ’t zij zoo, laten zij u met lasten den rug
breken, u het dak boven ’t hoofd wegnemen, uw vrouwen en dochters voor
uw oogen verkrachten,—wat mij betreft, ik zal alleen wel raad schaffen,
en daarmee,—Gods vloek op u allen!
ALLEN. Wij volgen onzen Cade, wij volgen Cade!
CLIFFORD. Is Cade een zoon van onzen vijfden Hendrik, 36
Dat gij zoo jubelt, zoo hem volgen wilt?
Zal hij u tot in ’t hart van Frankrijk voeren,
U, zelfs den minste, graaf of hertog maken?
Ach, hij heeft huis noch hof noch toevluchtsoord,
Hij kan niet leven, dan alleen door roof,
’t Bestelen van uw vrienden en van ons.
Waar’ ’t u geen hoon, zoo tijdens uwe tweedracht
De schuwe Franschman, eerst door u verslagen,
De zeeën overstak en u versloeg?
Ik zie hem reeds, bij dezen burgertwist,
Hoe hij den baas in Londens straten speelt,
„Vigliacco!” roept tot elk, dien hij ontmoet.
Laat eer tienduizend laaggeboren Cades
Ten onder gaan, dan dat ge u buigen zoudt
Voor de genade van een enk’len Franschman.
Naar Frankrijk, op! herwint wat gij verloort,
Spaart England, dàt is uw geboortestrand.
Hendrik heeft geld, gijzelf zijt sterk en moedig;
God helpt ons, twijfelt aan de zege niet.
ALLEN. Ho, Clifford! leve Clifford! wij gaan met den koning mee, en met
Clifford!
CADE. Werd ooit een veertje zoo licht heen en weer geblazen als deze
volkshoop? De naam van Hendrik den Vijfden sleept hen mee tot een
honderd boosheden en maakt, dat zij mij in den nood verlaten. Ik zie,
dat zij de koppen reeds bij elkander steken om mij te overrompelen,
mijn zwaard moet mij een weg banen, want hier is niet te talmen.—Trots
hel en duivels zal ik midden door u heen gaan; en eer en hemel zullen
van mij getuigen, dat geen gebrek aan moed, maar alleen het laag en
schandelijk verraad van mijn aanhang mij de hielen doet lichten.
(Cade af.)
BUCKINGHAM. Wat! Cade ontvlucht? dan een’gen ras hem na;
En wie het hoofd diens mans den koning brengt,
Zal duizend kronen ter belooning hebben.
(Eenigen spoeden zich heen.)
Gij mannen, volgt; een middel zij bedacht,
Om allen met den koning te verzoenen.
(Allen af.)