SAY. Mij plaagt een zenuwkwaal; het is geen vrees.
CADE. Kijk, hij knikt ons toe, alsof hij zeggen wil, ik zal u wel
vinden. Ik wil eens zien, of zijn kop op een staak ook zoo waggelt.
Voert hem weg en slaat hem het hoofd af.
SAY. Zeg dan, wat ik vooral misdreven heb;
Heb ik gejaagd naar macht of rijkdom?—spreek!
Goud afgeperst tot vulling van mijn koffers?
Valt mijn kleedij door groote pracht in ’t oog?
Wien krenkte ik ooit, dat gij mijn leven zoekt?
Geen schuldloos bloed heeft deze hand vergoten,
In deze borst geen arglist ooit gehuisd;
O, laat mij ’t leven!
CADE (ter zijde). Ik bespeur daar deernis in mijzelf bij zijn woorden,
maar ik wil die beteugelen; sterven zal hij, al was ’t alleen, omdat
hij zoo mooi voor zijn leven pleit.—Weg met hem! hij heeft een
dienstbaren duivel onder zijn tong, hij spreekt niet in den naam van
God. Gaat, zeg ik, voert hem weg en slaat hem terstond het hoofd af; en
breekt dan in bij zijn schoonzoon, Sir James Cromer, en slaat hem het
hoofd af, en brengt die alle twee op twee staken hier.
ALLEN. Het zal gebeuren.
SAY. Landslieden, ach, zoo God bij uw gebeden
Zoo weinig deernis heeft, als gij nu toont,
Hoe zal ’t met uw gescheiden zielen gaan?
Wordt daarom nog verzacht en spaart mijn leven.
CADE. Weg met hem, doet zooals ik u beveel.
(Eenigen zijner aanhangers met Lord Say af.)
De fierste pair van het koninkrijk zal geen hoofd op zijn schouders
dragen, als hij mij geen schatting betaalt. Geen meisje zal er
uitgehuwd worden, zonder dat zij mij haar maagdom betaalt, eer zìj dien
krijgen. De mannen zullen mij leenheer noemen, en wij gelasten en
bevelen, dat hun vrouwen zoo vrij zullen wezen, als het hart maar
wenschen of de tong vertellen kan.
DICK. Mylord, wanneer moeten wij naar Cheapside gaan, om koopwaren op
te nemen, waar onze bijlen borg voor spreken?
CADE. Wel, dadelijk.
ALLEN. O, heerlijk!
(De Rebellen komen terug, met de hoofden van Lord Say en zijn
Schoonzoon op staken.)
CADE. Maar is dit niet veel heerlijker?—Laat hen elkander kussen, want
zij hadden elkander lief, toen zij nog leefden. Maar nu weer van
elkaar, opdat zij niet samen raadplegen om nog meer Fransche steden weg
te geven. Soldaten, stelt de plundering van de stad uit tot van nacht,
want wij willen deze twee voor ons uit laten dragen als twee
rijksappels, en zoo door de straten rijden, en op iederen hoek zullen
zij elkander kussen.—Vooruit!
(Allen af.)