SAY. Gij mannen van Kent,—

DICK. Wat hebt gij op Kent te zeggen?

SAY. Slechts dit: ’t is bona terra, mala gens.

CADE. Weg met hem! weg met hem! hij spreekt Latijn.

SAY. Hoor mij slechts aan; breng dan mij, waar gij wilt.

Kent wordt in Julius Caesar’s commentaren

De liefste streek genoemd van heel dit eiland;

Het land is schoon, daar ’t overvloeit van zegen;

Het volk kloekmoedig, nijver, rijk en mild,

Wat mij doet hopen, dat gij deernis kent.

Niet ik gaf Maine en Normandije prijs,

Neen, met mijn bloed kocht ik die gaarne weêr.

Met zachtheid heb ik steeds het recht gepleegd,

Mij roerden beden, tranen,—giften nooit.

Wanneer legde ik u lasten op, tenzij

Ten nutte van den koning, ’t rijk, uzelven?

Veel giften schonk ik aan geleerde mannen,

Omdat mijn weten bij den koning gold,

En wijl onwetendheid Gods vloek, maar kennis

De vleugel is, die ons ten hemel heft.

Zijt gij van hellegeesten niet bezeten,

Dan deinst gij van een moord op mij terug.

Hier deze tong heeft vaak aan vreemde hoven

Voor u gepleit,—

CADE. Pah! wanneer hebt ge in ’t veld het zwaard gevoerd?

SAY. Der grooten arm reikt ver; vaak trof ik mannen,

Die ’k nooit gezien had, trof ze dood’lijk zelfs.

GEORGE. O schandelijke lafaard! Wat, menschen van achteren te

overvallen!

SAY. Mijn kaak is bleek van ’t waken voor uw welzijn.

CADE. Geef hem een oorveeg, dat zal die weder rood maken.

SAY. ’t Lang zitten in ’t gerecht voor arme lieden

Bezwaarde mij met ziekte en meen’ge kwaal.

CADE. Dan zult gij een hartversterking van hennep hebben en den

bijstand van een bijl.

Koning Hendrik de Zesde · 第 91 / 165 题