Londen. Een vertrek in het paleis.
Koning Hendrik, een verzoekschrift lezende, komt op, met den Hertog van
Buckingham en Lord Say; op den achtergrond is Koningin Margaretha,
treurende over Suffolk’s hoofd.
KONINGIN MARGARETHA. Ik hoorde vaak, dat droefnis het gemoed
Verzacht en angstig maakt en gansch ontaardt;
Laat daarom af van weenen, denk aan wraak.
Maar wie ziet dìt en moet niet blijven schreien?
Ik moog’ zijn hoofd aan ’t zwoegend hart doen rusten,
Doch waar is ’t lijf, dat ik omarmen zou?
BUCKINGHAM. Wat antwoord zendt uw hoogheid den rebellen?
KONING HENDRIK. Ik zend een heil’gen bisschop als bemidd’laar;
Verhoede God, dat zooveel arme zielen
Omkomen door het zwaard! Eer bloedige oorlog
Hen nedermaai’, verleen ik liever zelf
Hun generaal Jack Cade een mondgesprek.—
Maar wacht, ik wil nog eens dit overlezen.
KONINGIN MARGARETHA. O gij barbaren! heeft zijn schoon gelaat
Mij als een wand’lend hemellicht beheerscht,
En kon het hen niet tot erbarmen dwingen,
Die gansch onwaardig waren ’t aan te zien?