SUFFOLK. Komt, mannen, toont, wat gruw’len gij vermoogt,
Opdat mijn sterven nimmer zij vergeten.
Vaak sterven groote mannen door verworp’nen:
Een vechter en bandiet uit Rome moordde
Den reed’naar Tullius; Brutus’ bastaard-hand
Doorpriemde Cæsar; tuchtloos eilandvolk
Den held Pompejus; Suffolk sterft door roovers.
(Whitmore met Suffolk en Anderen af.)
KAPITEIN. Wat hen betreft, wier losprijs vastgesteld is,
Één hunner moge voor het geld gaan zorgen;
Kom gij dus met ons mede; hìj kan gaan.
(Allen af, behalve de Eerste Edelman.)
(Whitmore komt terug, met Suffolk’s hoofdloos lijk en hoofd.)
WHITMORE. Daar ligg’ zijn hoofd en levenlooze romp,
Tot hem de koningin, zijn lief, begraav’.
(Whitmore af.)
EERSTE EDELMAN. O, ongehoord barbaarsch en bloedig schouwspel!
Zijn lichaam wil ik aan den koning brengen;
Wreekt die hem niet, zijn vrienden doen ’t en zij,
Aan wie hij dierbaar was, de koningin.
(De Eerste Edelman af met Suffolk’s lijk.)