SUFFOLK (tot den Kapitein). Gij lage vlegel, koning Hendriks bloed,
Het eerbiedwaarde bloed van Lancaster,
Mag zulk een lompe stalknecht niet vergieten.
Hebt gij weleer de hand mij niet gekust,
Den beugel voor mijn voet niet vastgehouden,
Blootshoofds gedraafd naast mijn behangen muildier,
En door mijn knik gelukkig u gevoeld?
Hoe vaak hebt gij bij ’t beek’ren mij bediend,
Geteerd op de’ afval van mijn maal, en need’rig
Geknield aan mijnen disch, als ik aan ’t feestmaal
Met koningin Marg’retha was gezeten?
Herdenk dit, en ’t betoome uw fieren moed,
Ja, en het knakke uw onberaden trots.
Hoe vaak stondt gij niet in mijn voorportaal,
En wachttet onderdanig tot ik kwam?
De hand hier schreef wel eens ten uwen bate,
En kluist’re daarom thans uw wilde tong.
WHITMORE. Kap’tein, zal ik dien vlegel u doorpriemen?
KAPITEIN. Eerst prieme ik hem met woorden, als hij mij.
SUFFOLK. Uw woorden, slaaf, zijn stomp, zooals gijzelf.
KAPITEIN. Voer hem van hier ter zij van onze sloep,
En sla hem ’t hoofd af.
SUFFOLK. Waagt gij ’t hoofd er aan?
KAPITEIN. Ja, Pole.
SUFFOLK. Pole?
KAPITEIN. Pool’? Sir Pole? lord?
Ja, poel, moeras, riool, wiens vuil en drek
De zilvren bron bederft, waar England drinkt.
Nu stop ik u dien opgesperden muil,
Dat gij den schat des lands niet zwelgt; die lippen,
Die Margaretha kusten, vagen ’t stof;
En gij, die hertog Humfried’s dood belachtet,
Grijnst de ongevoel’ge winden tevergeefs
Nu aan; die fluiten u verachtend uit;
Aan helsche heksen wordt gij uitgehuwd,
Omdat gij voor een grooten, hoogen vorst,
De dochter van een beed’laar-koning aanzocht,
Die onderdaan, noch goud, noch kroon bezat.
Groot werdt ge alleen door duivels-politiek,
En dronkt u vol, als eens de eergier’ge Sulla,
Aan uwer eigen moeder bloedend hart. 85
Maine en Anjou hebt gij verkocht aan Frankrijk;
Door u is ’t, dat de oproer’ge Normandijers
Driest ons gezag verwerpen, Picardije
Haar stedehouders doodt, de sterkten slecht,
De krijgers naakt en bloedend huiswaarts zendt.
De vorstelijke Warwick, al de Nevils,
Wier vreeslijk zwaard nooit vruchtloos wordt ontbloot,
Zijn reeds, omdat ze u haten, opgestaan;
En ’t huis van York,—eens van den troon verdrongen
Door ’t snood vermoorden van een schuldloos vorst,
En door roofgier’ge drieste dwinglangdij,—
Dat gloeit van wraaklust, steekt de vaan der hoop,
De halve zon, door wolken brekend, op,
Waaronder staat: „invitis nubibus”.
Het volk in Kent is opgestaan, gewapend;
In één woord, beed’laars-armoê en beschimping
Zijn ingeslopen in des konings slot,
En dat alleen door u.—Weg, voert hem heen!
SUFFOLK. O ware ik thans een god, die bliksems schoot,
Op deze lage, slaafsche, vuile knechten!
’t Gepeupel wordt door kleine dingen trotsch;
Hier deze schurk, die op een boot bevel voert,
Dreigt feller dan Illyrië’s kaperhoofdman,
De sterke Bargulus.—De hommel zuigt
Geen aad’laarsbloed, maar gaat in bijenkorven
Op roof uit; ’t is onmooglijk, dat ik sterf
Door zulk een lagen dienstman als gij zijt.
Uw taal wekt woede, geen berouw in mij.
Ik moet naar Frankrijk voor de koningin;
En zeg u: voer mij veilig over zee.
KAPITEIN. Walter!
WHITMORE. Kom, Suffolk, naar uw dood moet ik u voeren.
SUFFOLK. Pene gelidus timor occupat artus. U vrees ik.
WHITMORE. Ja vreezen zult gij, eer ik van u ga.
Wat! zijt gij mak geworden? wilt ge u buigen?
EERSTE EDELMAN. Genadig hertog, spreek hem vriendlijk toe.
SUFFOLK. Gestreng en barsch is Suffolk’s heerscherstong,
Weet te gebieden, niet om gunst te vragen.
Ver zij ’t van ons, zulk volk door smeekgebeden
Te huldigen; eer buige zich mijn hoofd
Op ’t blok, dan dat mijn knie voor iemand buige,
Dan voor den hoogen God en voor mijn koning;
En eer nog danse ’t bloedig op een stang,
Dan dat het zich ontbloot voor zulk een knecht.
Wie waarlijk edel is, weet van geen vrees;
Meer kan ik dragen, dan gij waagt te doen.