Blackheath.
George Bevis en John Holland komen op.
GEORGE. Kom, schaf u een zwaard aan, al is het er een van hout; zij
zijn al sinds eergisteren opgestaan.
JOHN. Des te meer lust zullen ze hebben om te gaan slapen.
GEORGE. Ik zeg u, Jack Cade, de lakenwever, wil den staat nieuw opmaken
en keeren en er nieuwe wol opbrengen.
JOHN. Dat is ook hoognoodig, want afgedragen is hij tot den draad. Ik
zeg maar, met het vroolijk leven is het uit in Engeland, sinds de
edellieden opgekomen zijn.
GEORGE. O ellendige tijd; deugd van handwerkslieden is niet meer in
tel.
JOHN. De adel houdt het voor schandelijk, een schootsvel te dragen.
GEORGE. Wat meer is, de raadslieden van den koning leveren slecht werk.
JOHN. Zoo is het; en toch is het zeggen: „werk in uw beroep”; wat zoo
veel wil zeggen als: „laat de overheden werklieden zijn”; en daarom
moesten wij eigenlijk overheden zijn. 20
GEORGE. Juist, man; er is geen beter teeken van een wakkeren kerel dan
een harde hand.
JOHN. Ik zie ze! ik zie ze! Daar is de zoon van Best, den looier uit
Wingham,—
GEORGE. Hij moet de huiden krijgen van onze vijanden, om er hondenleer
van te maken.