EERSTE TOONEEL.

Kent. Het zeestrand bij Dover.

Men hoort op zee schieten. Daarna komen uit een boot: een

Kaperkapitein, een Schipper, een Bootsman, Walter Whitmore en Anderen;

met hen Suffolk, die vermomd is, en andere Edellieden als gevangenen.

KAPITEIN. De bonte dag, zoo praatziek en weekhartig,

Heeft in den schoot der golven zich verscholen;

Luid huilend wekken wolven nu de knollen,

Die traag de kar der sombre, norsche Nacht

Voortsleepen en, met droomrig slappe vlerken

Langs graven zwevend, uit hun vochten muil

Vuil, giftig duister aad’men in de lucht.

Brengt nu de krijgers der genomen bark;

Terwijl ons schip ginds ankert, mogen zij

Hun losgeld ons voldoen hier op het strand,

Of met hun bloed den bleeken zandgrond kleuren.—

Hier, schipper, dien gevang’ne schenk ik u;—

Gij, bootsman, maak u dezen man ten nutte;—

Die andre, (op Suffolk wijzend.) Walter Whitmore, is uw deel. 14

EERSTE EDELMAN. Wat is mijn losprijs, schipper? noem de som.

SCHIPPER. Éénduizend kronen, of ’t kost u den kop.

BOOTSMAN. Datzelfde geeft gij mij, of de uwe vliegt.

KAPITEIN. Wat! is dat veel? tweeduizend kronen saam,

En noemt en doet ge u voor als edellieden?—

Slaat hun den kop af!—Sterven zult gij, ja!

Weegt zulk een kleine som de levens op

Der makkers, die wij bij ’t gevecht verloren?

EERSTE EDELMAN. Ik zal ’t voldoen, man; spaar daarom mijn leven.

TWEEDE EDELMAN. Ik ook; ik schrijf er daad’lijk om naar huis.

WHITMORE. Ik heb bij ’t ent’ren daar een oog verspeeld,

(Tot Suffolk.) En ’k wil dit wreken; daarom zult gij sterven;

En dezen stierven ook, had ik mijn zin.

KAPITEIN. Wees niet zoo fel; neem losgeld; laat hem leven.

SUFFOLK. Zie mijn Sint George; ik ben een edelman;

Schat mij zoo hoog gij wilt; ik geef het u.

WHITMORE. Ik ben het ook; mijn naam is Walter Whitmore. 31

Nu, waarom rilt gij? schrikt gij voor den dood?

SUFFOLK. Uw naam verschrikt mij; in zijn klank is dood.

Een wijs man heeft mijn horoskoop getrokken,

En toen gezegd: door Water zoude ik sterven.

Maar laat u dit toch niet bloeddorstig stemmen;

Goed uitgesproken, is uw naam Gaultier.

WHITMORE. Gaultier of Walter, ’t is mij een. Maar nooit

Heeft lage schimp mijn naam verdraaid, bezoedeld,

Dat niet mijn zwaard de vlek heeft uitgewischt.

Daarom, drijf ik ooit handel met mijn wraak,

Verbreek mijn zwaard dan, sla mijn wapen stuk,

En roep alom mij als een lafaard uit!

(Hij grijpt Suffolk aan.)

SUFFOLK. Stil, Whitstone, weg! een prins is uw gevangne;

’t Is hertog Suffolk, William de la Pole.

WHITSTONE. De hertog Suffolk, dus gehuld in lompen!

SUFFOLK. Die lompen zijn geen deel van hertog Suffolk;

Heeft Jupiter zich niet vermomd als ik?

Koning Hendrik de Zesde · 第 71 / 165 题