TWEEDE TOONEEL.

Sint Edmund’s Bury. Een vertrek in het paleis.

Eenige Moordenaars komen haastig op.

EERSTE MOORDENAAR. IJl naar mylord van Suffolk, ga hem melden,

Dat naar zijn last de hertog afgedaan is.

TWEEDE MOORDENAAR. Waar’ ’t nog te doen!—Wat hebben wij gedaan?

Zaagt gij ooit zulk een einde, zoo boetvaardig?

EERSTE MOORDENAAR. Daar komt mylord.

(Suffolk komt op.)

SUFFOLK. Wel, mannen, hebt gij ’t zaakje klaar?

EERSTE MOORDENAAR. Ja, beste hertog, hij is dood.

SUFFOLK. ’t Is wel gedaan. Gaat, spoed u naar mijn huis;

Ik wil u voor dit stout bedrijf beloonen.

De koning komt daar aan met al zijn pairs.

Hebt gij de lakens glad gelegd? Is alles

Geheel in orde naar mijn last?

EERSTE MOORDENAAR. In orde, beste lord.

SUFFOLK. Nu goed; van hier!

(De Moordenaars af.)

(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Kardinaal

Beaufort, Somerset, Lords en Anderen komen op.)

KONING HENDRIK. Ga, roep onze’ oom van Gloster daad’lijk voor ons;

Wij willen heden zijn genade hooren,

Of hij, zooals beweerd wordt, schuldig is.

SUFFOLK. Ik ga terstond hem roepen, hooge vorst.

(Suffolk af.)

KONING HENDRIK. Neemt plaats, mylords. En dit bid ik u allen,

Past op onze’ oom geen groot’re strengheid toe,

Dan hij door schuld, gestaafd door ’t waar getuig’nis

Van mannen, goed ter naam en faam, verdient.

KONINGIN MARGARETHA. Verhoede God, dat een’ge boosheid slaagde, 22

En schuldeloos een pair veroordeeld wierd!

Geev’ God, dat hij zich van verdenking zuiver’!

KONING HENDRIK. Ik dank u, vrouw; dit woord verheugt mij zeer.

(Suffolk komt weder op.)

Wat is ’t? waarom zoo bleek? en waarom beeft gij?

Waar is onze oom? wat is er, Suffolk? spreek!

SUFFOLK. Dood in zijn bed, mylord; Gloster is dood.

KONINGIN MARGARETHA. O, dit verhoede God!

KARDINAAL. Des Heeren hand!—Ik heb van nacht gedroomd,

Dat Gloster stom was en geen woord kon zeggen.

(De Koning valt in onmacht.)

KONINGIN MARGARETHA. Mijn vorst, hoe is

’t?—Helpt, lords, de koning sterft!

SOMERSET. Heft hem omhoog en knijpt hem in den neus.

KONINGIN MARGARETHA. Loopt, helpt!—O

Hendrik, sla toch de oogen op!

SUFFOLK. Daar komt hij weder bij.—Kalm, hooge vrouwe!

KONING HENDRIK. O eeuw’ge God!

KONINGIN MARGARETHA. Hoe gaat het mijn gemaal?

SUFFOLK. Getroost, mijn vorst! Verheven Hendrik, moed!

KONING HENDRIK. Wat! wil mylord van Suffolk mij vertroosten?

Zong hij niet juist een ravenlied mij toe,

Welks gruwelwijs mijn levenskracht verlamde,

En waant hij, dat het tjilpen van een musch,

Die uit een holle borst „Getroost” mij toeroept,

Den eerst vernomen klank verjagen kan?

Verberg uw gif niet zoo met suikerwoorden;

Raak mij niet aan!—Weg met uw handen! zeg ik;

’t Gevoel verschrikt mij als een addersteek!

Gij onheilsbode, weg! uit mijn gezicht!

In booze majesteit zit op uw oogen

Geweld en moord ten troon, tot schrik der wereld;

Zie mij niet aan, uw oogen schieten dolken.

Maar neen, ga toch niet weg;—kom, basilisk;

En dood den man, die u onschuldig aanstaart;

In schaduwen des doods slechts vind ik heil,

In ’t leven dubb’len dood, nu Gloster dood is.

KONINGIN MARGARETHA. Wat raast gij op mylord van Suffolk zoo?

Ofschoon de hertog hem vijandig was,

Beklaagt hij als een christen toch zijn dood.

Wat mij betreft, hoe bitter hij mij haatte,

Zoo tranenplengen, hartbeklemmend snikken

En bloedverterend zuchten hem kon wekken,

Blind wilde ik zijn van ’t weenen, krank van ’t snikken, 62

Bleek als een sneeuwbloem van bloeddrinkend zuchten,

Om de’ eedlen hertog weer herleefd te zien.

Weet ik, wat mij misschien de wereld nageeft?

Zij weet, dat wij slechts vooze vrienden waren;

Zij zegt misschien, dat ik hem heb vermoord;

Zoo zal des lasters tong mijn naam verwonden

En vorstenhoven met mijn smaad vervullen!

Dit brengt zijn dood mij aan. O, ik onzaal’ge!

Vorstin te zijn, en zoo gekroond met smaad!

KONING HENDRIK. Ach, arme Gloster! o rampzalig man!

KONINGIN MARGARETHA. Roep ach om mij, want ik, ik ben rampzaal’ger.

Wat! keert ge u af, verbergt gij uw gelaat?

Ben ik melaatsch en walglijk? Zie mij aan!

Of zijt gij, zooals de adder, doof geworden?

Word dan ook giftig, dood uw arme vrouw!

Is al uw troost in Gloster’s graf besloten?

O, dan was Margaretha nooit uw vreugd;

Richt dan zijn standbeeld op en bid dit aan:

Mijn beeltnis worde een bierhuis-uithangschild.

Was ik daarom op zee bijna vergaan?

Dreef daarom tweemaal tegenwind mij weg,

Van Englands kust terug naar ’t vaderland?

Wat spelde dit, dan dat de wind, vermanend,

Mij toeriep: „Zoek geen schorpioenennest!

En zet geen voet op dit onvriendlijk strand?”

Toen vloekte ik op die goedgezinde stormen,

En hem, die ze uit hun koop’ren grotten slaakte,

En riep: „Waait aan op Englands dierb’re kust,

Of werpt ons schip nu op een ruwe klip!”

Maar Æolus verwierp een moordnaarsrol,

En liet aan u dat haat’lijk beulsambt over.

Hoog ging de zee, maar dartlend, en onwillig

Mij te verdrinken; o, zij wist te wel,

Hoe mij op ’t land uw hardheid zou verdrinken

In tranen, zilter dan het nat der zee;

De scherpe klippen doken in het zand

Om aan hun ruwe borst mij niet te brijz’len,

Opdat uw steen en hart, dat harder is,

Uw Margaretha doodde in uw paleis.

Zoo ver ik uw krijtrotsen nog ontwaarde,

Toen ons de storm terugsloeg van uw kust,

Stond ik, in ’t noodweer, boven, op het dek;

En toen de donk’re lucht aan mijn gezicht,

Dat ijv’rig staarde, uw land begon te onttrekken,

Nam ik een rijk juweel mij van den hals,— 107

Het was een hart, gevat in diamanten,—

En wierp het naar uw land. De zee ontving het;

En zoo wenschte ik, dat gij mijn hart ontvingt;

Maar toen juist zag ik Englands kust niet meer;

’k Verwees mijn oogen naar mijn hart, en noemde

Hen blinde, doffe brilleglazen, wijl

De veel gewenschte krijtzoom hun ontging.

Hoe vaak bezwoer ik Suffolk’s tong,—de tolk,

Die uw onwaardige ontrouw tot mij zond,—

Mij te betoov’ren, evenals Ascanius,

Zijns vaders doen bij Troje’s brand ontvouwend,

Het de arme, dolle Dido deed! Werd ik

Niet dol als zij, en gij niet valsch als hij?

Wee mij! ik kan niet meer! Sterf, Margaretha,

Want Hendrik weent, wijl gij te lange leeft.

(Sterk gedruisch buiten. Warwick en Salisbury komen op. Eenigen van het

volk dringen door de deur naar voren.)

WARWICK. De goede hertog Humfried, machtig vorst,

Zou, is bij ’t volk het zeggen, door ’t verraad

Van Suffolk en den kardinaal vermoord zijn.

’t Volk is, als een vergramde bijenzwerm,

Die ’t opperhoofd verloor, spoorbijster; ’t zwerft

En vraagt niet wien het steekt, zoo ’t hem slechts wreekt.

Ik bracht hun felle muiterij tot staan,

Tot zij de wijze van zijn dood vernemen.

KONING HENDRIK. Zijn dood is al te waar, mijn goede Warwick;

Maar hoe hij stierf,—God weet het, Hendrik niet.

Ga in zijn kamer: schouw zijn zielloos lichaam;

Verklaar uzelf de reden van zijn dood.

WARWICK. Dat wil ik doen, heer.—Salisbury, blijf gij,

Tot ik terug ben, bij de woeste menigt’.

(Warwick gaat naar een binnenkamer. Salisbury gaat terug door de

deur.)

KONING HENDRIK. Gij rechter aller dingen, strem mijn denken!

Mijn denken, dat mijn ziel wil overreden,

Dat Humfried door geweld het leven liet.

Is mijn vermoeden valsch, vergeef ’t mij, God!

Want u alleen, Heer, komt het oordeel toe.

Hoe gaarne warmde ik hem de bleeke lippen

Met twintigduizend kussen en besproeide ik

’t Gelaat hem met een zee van zilte tranen,

Zijn stommen, dooven romp ten liefdegroet,

En drukte met mijn hand zijn doode hand!

Doch al om niet waar’ zulk een rouwgebaar;

En ’t staren op zijn dood en aardsch omhulsel,

Wat waar’ het, dan ’t vergrooten van mijn leed?

(De vleugeldeuren van de binnenkamer worden opengeslagen en men ziet

Gloster dood in zijn bed. Warwick en Anderen staan er omheen.)

WARWICK. Kom hier, genadig vorst, aanschouw dit lijk.

KONING HENDRIK. Dat is slechts zien, hoe diep mijn grafkuil is;

Want al mijn aardsche troost ontvlood met hem;

Hem ziende, zie ik ook mijn leven dood.

WARWICK. Zoo waar mijn ziel bij dien verheven koning 153

Te leven hoopt, die in het vleesch verscheen

Om van Zijns vaders vloek ons te bevrijden,

Geloof ik, dat geweld de hand gelegd heeft

Aan ’t leven van den hoogberoemden hertog.

SUFFOLK. Een schrikk’lijke eed en plechtig uitgesproken!

Doch waarop grondt Lord Warwick dit zijn woord?

WARWICK. Zie, hoe het bloed in zijn gelaat verbleef!

’k Zag menigeen, die vreedzaam was verscheiden,

Aschkleurig, mager, bleek en zonder bloed,

Dat alles naar het worst’lend hart gestroomd was,

Omdat dit, bij zijn kampstrijd met den dood,

’t Bloed oproept om dien vijand mee te voeren;

Doch met het hart wordt dit daar koud en keert

Nooit weer om aan de wangen gloed te geven.

Maar zijn gelaat, zie, ’t is vol bloed, is zwart,

Zijn oogen verder uit dan toen hij leefde,

Strak, starend als een man, die wordt gewurgd;

Zijn haar ten berge, ’t neusgat wijd van ’t worst’len,

Zijn vingers uitgespreid, als een, die greep,

Voor ’t leven vocht, doch overweldigd werd.

En zie, zijn haar, het kleeft aan ’t laken vast;

Zijn netgehouden baard is ruig, verward,

Als koren, dat een storm ter neder sloeg.

Het kan niet anders zijn, hij werd vermoord;

Het minste dezer teekens waar’ bewijs.

SUFFOLK. En wie dan zou den hertog dooden, Warwick?

Ik had hem in mijn hoede met Beaufort,

En wij, zoo hoop ik, zijn geen moordenaars.

WARWICK. Zijn vijanden, gezworen haters waart gij,

En saam bewaaktet gij den goeden hertog;

Wis zoudt gij hem niet vieren als een vriend,

En ’t blijkt te wel, dat hij een vijand vond.

KONINGIN MARGARETHA. Gij argwaant, schijnt het, dat die hooge lords

Schuld hebben aan des hertogs vroegen dood.

WARWICK. Wie vindt het vaarskalf dood, nog warm en bloedend,

En dicht daarbij den slachter met de bijl,

En argwaant niet, dat hij het dier versloeg?

Wie vindt in ’t nest des haviks den patrijs

En zal niet raden, hoe de vogel stierf,

Al vliegt de valk met onbebloeden snavel?

Niet minder is dit treurspel hier verdacht.

KONINGIN MARGARETHA. Is Suffolk slachter? waar is dan zijn mes?

Beaufort een havik? waar zijn dan zijn klauwen?

SUFFOLK. Ik draag geen mes om slapenden te slachten; 197

Doch hier een wrekend zwaard, van rust nu roestig,

Dat ik wil schuren in diens giftig hart,

Die met het purp’ren merk van moord mij hoont.

Zeg, als gij durft, gij trotsche lord van Warwick,

Dat ik de schuld draag van lord Humfried’s dood.

(De Kardinaal, Somerset en Anderen af.)

WARWICK. Durft valsche Suffolk,—wat dan Warwick niet?

KONINGIN MARGARETHA. Hij durft zijn geest, die hoonziek is, niet

boeien,

Geen afstand doen van drieste lastertaal;

Schoon Suffolk twintigduizendmaal hem aandurv’.

WARWICK. Stil, hooge vrouwe,—eerbiedig zij ’t gezegd;—

Want ieder woord, om zijnentwil gesproken,

Brengt smaad op uwen koninklijken naam.

SUFFOLK. Gij lord met stompen geest en boersche zeden,

Als ooit een edelvrouw haar heer bedroog,

Dan nam uw moeder in haar zondig bed

Een kinkel op, en werd op eed’len boom

Een wilde tak geënt, wiens vrucht gij zijt.

Gij, nooit een spruit van de’ eed’len stam der Nevils!

WARWICK. Beschermde u niet de bloedschuld van den moord,

En roofde ik aan den beul niet zijn belooning,

Tienduizendvoudige oneer u besparend,

En stemde ’s vorsten bijzijn mij niet zacht,

Dan zoudt gij knielend, lage, laffe moord’naar,

Mij voor dit zeggen om vergeving smeeken,

Verklaren, dat gij ùwe moeder meendet

En gij in bastaardij geboren zijt;

En na die afgedwongen hulde gave ik

U dan uw loon en zond uw ziel ter hel,

Bloedzuiger en belager in den slaap!

SUFFOLK. Uw bloed zal ik, terwijl gij waakt, vergieten,

Zoo gij het waagt, met mij van hier te gaan!

WARWICK. Terstond dan, of ik sleep u weg van hier.

Ik wil u, hoe onwaardig ook, bekampen,

Om hertog Humfried’s geest een dienst te doen.

(Suffolk en Warwick af.)

KONING HENDRIK. Welk harnas is er als een vlekk’loos hart?

Driewerf gepantserd is wie ’t recht verdedigt,

En hij is naakt, hoe ’t staal hem ook omsluit’,

Wien ongerechtigheid het hart verpest.

(Gedruisch buiten.)

KONINGIN MARGARETHA. Wat is dat voor gedruisch?

(Suffolk en Warwick komen, met getrokken zwaarden, weder op.)

KONING HENDRIK. Wat, lords! ontbloot gij uw vergramde zwaarden

Hier in ons bijzijn? zijt gij zoo vermetel?

Wat is dat voor rumoer en voor geschreeuw?

SUFFOLK. De valsche Warwick en het volk van Bury,

’t Stormt alles op mij los, verheven vorst. 241

(Geraas van een volksoploop buiten. Salisbury komt weder op.)

SALISBURY (tot het volk buiten). Terug, gij daar; ik zal ’t den koning

zeggen.—

(Tot den Koning.) Gestrenge vorst, het volk meldt u door mij,

Wordt Suffolk niet terstond ter dood gebracht,

Of buiten Englands schoon gebied verbannen,

Dan wordt hij met geweld van hier gerukt

En sterft een langen, zwaren marteldood.

Het zegt, hij deed den goeden hertog sterven,

Het zegt, zij vreezen uwen dood van hem;

En ’t is de drang van liefde en echte trouw,

Gansch vrij van eenig stug of trotsch verzet,

Alsof zij tegen uwen wil zich kantten,

Die hen doet dringen op zijn ballingschap.

Vol zorg voor hunnen koning zeggen zij,

Dat, zoo uw hoogheid wilde slapen en

Bevolen had, dat niemand u zou storen,

Op straf van ongenade, op straf des doods,

Het toch, ondanks dat streng gebod, indien

Een slang ontwaard wierd, met gespleten tong,

Die zachtkens voortgleed naar uw majesteit,

Volstrekt noodzakelijk zijn zou u te wekken,

Opdat, gedurende uw onveil’ge sluim’ring,

Het dood’lijk dier uw slaap niet eeuwig maakte;

En daarom roepen zij, trots uw verbod,

Dat ze, of gij wilt of niet, u zullen hoeden

Voor zulke slangen als de valsche Suffolk,

Door wiens venijnige’, onheilvollen steek

Uw minnende oom, die twintigmaal hèm opwoog,

Zoo schandlijk, zeggen ze, om het leven kwam.

HET VOLK (buiten). Breng antwoord van den koning, graaf van Salisbury!

SUFFOLK. ’t Is wel gelooflijk, dat die ruwe hoop,

Dat volk, zijn koning zulk een boodschap zendt;

Maar gij, mylord, gij laat u gaarne zenden,

Opdat gij toont, hoe fraai gij spreken kunt;

Maar de eenige eer, die Salisbury daar won,

Is, dat hij afgezant was van een bende

Van ketellappers aan zijn heer en koning.

HET VOLK (buiten). Breng antwoord van den koning, of wij stormen

binnen!

KONING HENDRIK. Ga, Salisbury, en zeg aan ’t volk van mij,

Dat ik hen voor hun zorg en liefde dank;

En ware ik ook door hen niet zoo vermaand,

Ik had alreeds besloten, wat zij vragen;

Want, waarlijk, uur op uur spelt mij mijn geest

Onheil voor mijnen troon door Suffolk’s hand;

En ’k zweer dus bij de majesteit van Hem,

Wien ik niet waardig ben hier te vervangen:

Niet langer dan drie dagen zal zijn adem

De lucht hier nog verpesten, of hij sterft. 288

(Salisbury af.)

KONINGIN MARGARETHA. O Hendrik, hoor mij voor den eed’len Suffolk!

KONING HENDRIK. Oneed’le vrouw, hem edel nog te noemen!

Niet meer, zeg ik; als ik voor hem u hoor,

Dan zult gij mijne gramschap slechts doen stijgen.

Had ik het slechts gezegd, dan hield ik woord;

Gansch onherroep’lijk is ’t, wanneer ik zweer.—

Indien gij na drie dagen wordt gevonden

Op eenig grondgebied, door mij beheerscht,

Dan koopt de gansche wereld u niet vrij.—

Kom, Warwick, goede Warwick, vergezel mij;

’k Heb zaken van gewicht u mee te deelen.

(Allen af, behalve Koningin Margaretha en Suffolk.)

KONINGIN MARGARETHA. Onheil en kommer volge u op den voet!

U mogen harteleed en bitt’re droefheid

Speelnooten zijn en u gezelschap houden!

Twee zijt ge nu, de duivel zij de derde;

En dat driedubb’le wraak uw pad beloer’!

SUFFOLK. Staak dit verwenschen, lieve koningin,

En laat uw Suffolk droevig afscheid nemen.

KONINGIN MARGARETHA. Foei, laffe vrouw, weekhartig schepsel gij!

Mist gij den moed, uw vijand te vervloeken?

SUFFOLK. Haal’ hen de pest! waartoe zou ik hen vloeken?

Als vloeken dood bracht als de alruinenkreet,

Dan vond ik bitterbooze woorden uit,

Zoo woest, zoo hard, zoo schrikk’lijk voor ’t gehoor,

En stiet ze door de opeengeklemde tanden

Met zooveel blijk van ingevreten haat,

Als in haar gruw’lijk hol de maag’re Nijd.

Mijn tong zou bij het heftig spreken struik’len,

Mijn oog zou als de vuursteen vonken sprank’len,

Mijn haar, als waar ’t razend, op gaan staan,

Ja, ieder lid zou doen, als vloekte ’t mee.

En nu juist dreigt mijn hart, bezwaard, te breken,

Als ik niet vloekte. Zij vergif hun drank!

Gal, erger nog dan gal, hun heerlijkst maal!

Hun liefste schaduw een cypressenwoud!

Hun daag’lijksche aanblik booze basilisken!

Hun zachtst gevoel scherp als haag’dissenpriemen!

Afschuwlijk hun muziek als slanggesis,

Door uilen-onheilskreten begeleid!

Al de eis’lijkheden van de diepste hel—

KONINGIN MARGARETHA. Houd op, mijn Suffolk! zoo kwelt gij uzelf,

Zulk vloeken springt, als zonlicht van een spiegel

Of als een overladen donderbus, terug,

En keert zijn felheid tegen u, die ’t uitstoot.

SUFFOLK. ’k Moest vloeken, was uw last; herroept gij dien?

O, bij den grond, dien ik ontvluchten moet,

Dóórvloeken konde ik heel een winternacht,

Al moest ik naakt staan op een hoogen berg,

Waar scherpe vorst geen grasspriet groeien laat,

En ’k achtte dit een kortswijl van minuten.

KONINGIN MARGARETHA. O zwijg! ik smeek het u. Reik mij uw hand, 339

Dat ik met bitt’re tranen die bedauwe;

En ’s hemels dauw bevochtig’ nooit die plek

Om mijner smart getuig’nis weg te wasschen!—

O waar’ mijn kus zoo op uw hand geprent,

Dat gij bij ’t zegel steeds aan deze dacht,

Door welke ik duizend zuchten om u slaak.

Ga thans, opdat ik heel mijn smart gevoel;

’k Vermoed die slechts, zoolang gij bij mij staat,

Als een die brast, maar aan gebrek reeds denkt,

’k Roep eerlang u terug, of—wees verzekerd,—

Ik waag het, dat ikzelf verbannen word;

Want, zijt gij ver, dan ben ik reeds verbannen.

Ga, spreek niet meer tot mij; ga daad’lijk heen!—

O, ga nog niet!—Twee vrienden, die ter dood

Veroordeeld zijn, omarmen zoo elkaar,

En scheiden, eindloos kussend, duizend keer,

Veel meer beducht voor ’t scheiden dan voor ’t sterven!

En toch, vaarwel! Vaarwel met u, mijn leven!

SUFFOLK. Tienmaal wordt de arme Suffolk zoo verbannen,

Eens door zijn vorst, driewerf driemaal door u.

Het land betreurde ik niet, waart gij niet hier;

Volkrijk genoeg ware een woestijn voor Suffolk,

Indien hij daar uw hemelsch bijzijn had;

Want waar gij zijt, daar is de gansche wereld,

Met elken lust, met elk genot der wereld;

En waar gij niet zijt, daar is eenzaamheid.

Ik kan niet meer. Leef gij, geniet uw leven;

Ik zonder één genot, dan dat gij leeft.

(Vaux komt op.)

KONINGIN MARGARETHA. Waarheen spoedt Vaux zich dus? wat is er, spreek?

VAUX. Ik moet aan zijne majesteit gaan melden,

Dat kardinaal Beaufort op sterven ligt;

Hem greep een zware ziekte plotsling aan,

Zoodat hij staroogt, hijgt en hapt naar lucht,

God lastrend en de menschenkindren vloekend.

Nu spreekt hij, alsof hertog Humfried’s geest

Daar naast hem stond, dan roept hij om den koning,

En fluistert tot zijn kussen, als tot hem,

Geheimen van zijn zwaarbeladen ziel;

En ’t is mijn last, den koning te gaan melden,

Dat hij daar juist geweldig om hem roept.

KONINGIN MARGARETHA. Ga, breng die booze tijding aan den koning.

(Vaux af.)

Wee mij! wat is de wereld! welk een tijding!

Doch waarom klaag ik om een smart, zoo kort,

Den balling Suffolk, mijn kleinood, vergetend?

En treur ik, Suffolk, niet om u alleen, 383

In tranen even rijk als zuiderwolken,

Die de aard bevruchten, zooals ik mijn leed?

Doch ga nu heen; gij weet, de koning komt;

En vond hij u bij mij, gij waart des doods.

SUFFOLK. Als ik van u moet gaan, kan ik niet leven;

En sterven voor uw oog, wat waar’ dit anders

Dan als een zoete slaap in uwen schoot?

Hier ademde ik mijn ziel ten hemel uit,

Zoo zacht en stil, gelijk het wiegekind,

Dat, zuigend, aan der moeder boezem sterft;

Doch ver van u zou ’k razend zijn, ontzind,

U roepend, om mij de oogen toe te drukken

En met uw lippen mij den mond te sluiten,

Want zoo hieldt ge in haar vlucht mijn ziel terug

Of in uw boezem ademde ik haar uit,

Zoodat zij leefde in ’t schoon Elysium.

Een dood bij u waar’ sterven als voor kortswijl,

Doch ver van u, een mart’ling, meer dan sterven;

O, laat mij blijven, kome wat er wil!

KONINGIN MARGARETHA. Van hier! zij ’t afscheid ook een bijtend middel,

Hoe ’t grieve, een doodwond wordt er mee gebaat.

Naar Frankrijk, lieve; laat mij van u hooren;

Want waar gij op het wereldrond ook zijt,

Ik zal een Iris hebben, die u vindt.

SUFFOLK. Ik ga.

KONINGIN MARGARETHA. En neem mijn hart met u.

SUFFOLK. Een rijk kleinood, in ’t allerdroevigst hulsel,

Dat ooit een kostlijkheid omsloten heeft.

Als een gebarsten schip, zoo scheiden wij;

Naar dezen kant wacht mij de dood.

KONINGIN MARGARETHA. Hier mij.

(Beiden af, naar verschillenden kant.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 68 / 165 题