De abdij te Sint Edmund’s Bury.
Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha,
Kardinaal Beaufort, Suffolk, York,
Buckingham en Anderen komen op ter parlementszitting.
KONING HENDRIK. ’t Verbaast mij, dat lord Gloster nog ontbreekt,
Die anders nooit de laatste pleegt te wezen,—
Wat ook de reden zij, dat hij niet kwam.
KONINGIN MARGARETHA. Kunt gij niet zien, of wilt gij het niet zien,
Hoe zijn gelaat veranderd is, vervreemd?
Met welk een majesteit hij zich gedraagt,
Hoe overmoedig hij geworden is,
Hoe trotsch, bevelend, anders dan hij plach?
Er was een tijd, dat hij zeer zacht was, vriendlijk;
En blikten wij, van verre zelfs, hem aan,
Fluks zonk hij need’rig op de knie; zijn deemoed
Was de bewondring van geheel het hof.
Doch ziet hem nu: zelfs in den vroegen uchtend,
Als toch een ieder goeden morgen wenscht,
Dan fronst hij ’t voorhoofd, blikt met toornig oog,
En gaat met ongebogen knie voorbij,
De hulde, die ons toekomt, smaadlijk weig’rend.
Wie let er op, als kleine hondjes keffen?
Doch brult de leeuw, dan sidd’ren groote mannen;
En Humfried is in England geen klein man.
Bedenk, hoe na hij u bestaat in ’t bloed,
En, vielt gij, de eerste waar’, die klimmen zou.
Dus komt mij voor, dat het geen staatskunst is,—
Als wij bedenken, welk een wrok hij voedt,
En hoe zijn voordeel uw verscheiden volgt,—
Dat hij steeds tot uw vorstlijke persoon
Of tot uw hoogen staatsraad toegang heeft.
Door vleien won hij der gemeenten gunst,
En zoo hij onrust stoken wilde, volgden,—
Dit is te duchten,—allen hem gedwee.
’t Is voorjaar nog en ’t onkruid vlak van wortels;
Verschoont gij ’t nu, het overgroeit den hof
En bij verzuim verstikt het al ’t gezaaide. 33
Mijn zorg en eerbied voor mijn heer deed mij
’t Gevaar, dat in den hertog schuilt, vergâren.
Indien dit dwaas is, noem het vrouwenvrees;
En moet die vrees voor beter gronden wijken,
Dan geef ik toe en zeg: „ik deed hem onrecht.”
Mylords van Suffolk, Buckingham en York,
Bestrijdt, indien gij kunt, wat ik gezegd heb;
Zoo niet, erkent, dat ik de waarheid trof.
SUFFOLK. Uw hoogheid heeft den hertog wèl doorzien;
En, had ik ’t eerst mijn meening moeten zeggen,
’k Geloof, niets anders had ikzelf gemeld.
De hertogin begon, zoo waar ik leef,
Slechts aangezet door hem, haar duivelskunsten;
En was hij niet in deze schuld betrokken,
Dan dreef toch ’t roemen op zijn hoogen oorsprong,—
Als die de naaste staat aan Englands troon,
En meer zulk zwetsen van zijn rang, de dolle,
In ’t brein geschokte hertogin wis aan,
Om boos naar onzes vorsten val te streven.
Glad stroomt het water van een diepe beek,
Hij herbergt arglist onder ’t kleed van eenvoud.
Blaft ooit een vos, die lamm’ren stelen wil?
Neen, neen, mijn koning, Gloster is een man,
Die ondoorgrondlijk is, vol diep bedrog.
KARDINAAL. Bedacht hij, tegen de’ eisch der wet, niet vreemde
Doodstraffen voor geringe schuldbedrijven?
YORK. En hief hij niet, toen hij protector was,
In ’t gansche rijk zeer groote sommen gelds
Voor ’t heer in Frankrijk, die hij nooit er heenzond,
Wat daag’lijks in die steden oproer wekte?
BUCKINGHAM. Nu, dit zijn kleine feilen bij die andre
Verborgen feilen van dien gladden hertog,
Die eerst de tijd aan ’t daglicht brengen zal.
KONING HENDRIK. Voor eens, mylords, uw zorg voor ons, die doornen
Wegmaaien wil voor onzen voet, is loff’lijk;
Maar moet ik zeggen, wat ik waarlijk meen?
Van onzen oom van Gloster is het denken
Aan eenige’ aanslag tegen ons zoo verre,
Als van een zuigend lam of zachte duif.
De hertog is te zacht en welgezind,
Om in den droom zelfs naar mijn val te staan.
KONINGIN MARGARETHA. Ach, hoe gevaarlijk is dit blind vertrouwen!
Schijnt hij een duif? zijn veed’ren zijn geborgd,
Want als een booze raaf is hij gezind.
Is hij een lam? zijn vacht is hem geleend;
Als van een fellen wolf is zijn gemoed;
Wie steelt geen mom, als hij bedriegen wil?
Wees op uw hoede, heer; ons aller welzijn
Hangt aan ’t voorkomen van dien valschen man.
(Somerset komt op).
SOMERSET. Kracht en gezondheid mijnen heer en koning!
KONING HENDRIK. Welkom, lord Somerset, welk nieuws uit Frankrijk?
SOMERSET. Dat ieder aandeel aan dat grondgebied
U ginds ontroofd is; alles is verloren. 85
KONING HENDRIK. Slecht nieuws, mylord; doch dat Gods wil geschiede!
YORK (ter zijde). Slecht nieuws voor mij, want ik had hoop op
Frankrijk,
Zooals ik die op ’t vruchtbaar England heb.
Zoo sterven mijne bloesems in den knop,
En klagen rupsen mijne blaad’ren weg;
Maar ik verhelp eerstdaags die zaak, of anders
Verkoop ik voor een roemvol graf mijn recht.
(Gloster komt op.)
GLOSTER. Mijn hoogen heer en koning alle heil!
Vergeef mij, vorst, dat ik zoo laat verschijn.
SUFFOLK. Neen, Gloster, weet, gij zijt te vroeg gekomen,
Of gij moest trouwer wezen dan gij zijt.
Ik neem u wegens hoogverraad in hechtnis.
GLOSTER. Neen, Suffolk’s hertog, blozen of verbleeken
Zult gij mij niet zien doen bij deze hechtnis;
Een vlekk’loos hart is niet zoo licht verschrikt.
Geen bron, hoe klaar, is zoo gansch vrij van slijk,
Als ik van trouwbreuk jegens mijnen vorst.
Wie klaagt mij aan? en waaraan ben ik schuldig?
YORK. Vermoed wordt, heer, dat Frankrijks vorst u omkocht,
En gij ons leger zijn soldij onthieldt,
Waardoor zijn hoogheid Frankrijk heeft verloren.
GLOSTER. Dit wordt vermoed? wie zijn het, die ’t vermoeden?
’k Heb onzen krijgers nooit soldij ontroofd,
Noch ook van Frankrijk éénen duit ontvangen.
Zoo waarlijk help’ mij God, als ik gewaakt heb,
Ja, nacht op nacht, voor Englands welzijn peinzend!
Die penning, dien ik ooit mijn vorst ontstal,
Die groot, dien ik voor mij heb opgespaard,
Getuige op mijn gerechtsdag tegen mij!
Neen, ’k heb uit eigen midd’len menig pond,
Dat ik van ’t arme volk niet heffen wilde,
Aan ons bezettingsleger uitgekeerd,
En nooit verlangde ik iets terugbetaald.
KARDINAAL. ’t Komt u te stade, heer, dit te beweren.
GLOSTER. Ik zeg de waarheid slechts, zoo help’ mij God!
YORK. Voor euveldaden dacht gij als protector
Vreemde, ongehoorde martelingen uit,
En England werd berucht door zulk een wreedheid.
GLOSTER. Nu, ieder weet, dat onder mijn bestuur
Mijn een’ge feil te groote deernis was,
Want bij eens euveldaders tranen smolt ik,
En liet hem vrij voor woorden van berouw.
Was ’t niet een bloedig moord’naar of een struikdief,
Die arme reizigers had uitgeschud, 129
Dan legde ik nooit de volle straf hem op.
Slechts moord, dat bloedvergieten, martelde ik,
Veel meer dan diefstal of een and’re misdaad.
SUFFOLK. Die feilen, heer, zijn klein en licht verantwoord,
Doch grooter schuld wordt u te last gelegd,
Waar gij u zoo niet vrij van pleiten kunt.
In naam des konings neem ik u in hechtnis;
Mylord de kardinaal draag’ zorg voor u,
Totdat uw zaak gerechtlijk wordt getoetst.
KONING HENDRIK. Ik voed, mylord van Gloster, alle hoop,
Dat gij van allen argwaan u zult zuiv’ren;
Mijn hart verklaart, dat gij onschuldig zijt.
GLOSTER. O, beste heer, de tijden zijn gevaarlijk.
Door schandlijke eerzucht wordt de deugd verstikt,
Door boozen wrok barmhartigheid verjaagd;
Snoode arglist, rijk in vonden, zegeviert,
En billijkheid wordt uit uw rijk verbannen.
Hun samenrotting, ’k weet het, zoekt mijn leven;
En kon mijn dood dit land gelukkig maken,
Waar’ die het einde van hun dwinglandij,
Ik gaf het gaarne, zonder tegenstreven;
Doch mìjn dood is slechts ’t voorspel van hun stuk;
Veel duizend meer, die geen gevaar bevroeden,
Zijn ’t slot van hun ontworpen treurspel niet.
Beaufort’s roodfonklend oog verraadt zijn boosheid,
Suffolk’s bewolkt gelaat onstuim’gen haat;
De scherpe Buckingham geeft met zijn tong
Den last van nijd, die ’t hart hem drukt, eens lucht;
De hondsche York, wiens eerzucht tot de maan reikt
En wiens verwaten arm ik vaak terugtrok,
Staat met een valsche klachte mij naar ’t leven;
En gij, mijn hooge vrouwe, hoopt met de andren
Mij zonder reden oneer op het hoofd,
En deedt met alle kracht en vlijt het uwe,
Opdat mijn liefste heer mijn vijand wierd.
Ja, ja, gij allen staakt uw hoofden saam,—
Ik kreeg bericht van uwe samenkomsten,—
Om naar mijn schuldloos leven mij te staan.
Het valsch getuignis, dat mij oordeelt, komt wel;
Door tal van listen groeit mijn schuld wel aan;
Bewaarheid zal het oude spreekwoord worden,
Dat, wie een hond wil slaan, den stok wel vindt.
KARDINAAL. Zijn smalen, heer en vorst, is onverdraaglijk!
Als zij, die staâg hun vorst zorgvuldig hoeden
Voor des verraads verborgen, moordziek mes,
Aldus gehoond, beschimpt, gescholden worden,
En de euveldader vrijheid heeft van spreken,
Wordt de ijver voor uw hoogheid dra bekoeld.
SUFFOLK. Heeft hij op onze hooge vrouw daar niet
Gesmaald met booze, slim gekozen woorden,
Als had zij mannen omgekocht tot meineed,
Om hem door valsch getuignis te doen vallen?
KONINGIN MARGARETHA. Hem, die verliest, vergun ik ’t wel, te schimpen.
GLOSTER. ’t Is warer, dan ’t bedoeld was. Ja, ’k verlies;
Vervloekt die winnen, want zij speelden valsch!
En dan heeft wie verliest wel recht van spreken.
BUCKINGHAM. Zoo schermend hield hij ons tot de’ avond hier.
Lord kardinaal, de man is uw gevang’ne. 187
KARDINAAL. Gij, voert den hertog weg, bewaakt hem goed.
GLOSTER. Ach, koning Hendrik werpt zijn kruk nu weg,
Aleer hij stevig op zijn beenen staat!—
Zoo wordt de herder van uw zij gesleurd,
En wolven snarsen, wie u ’t eerst verscheurt!
O, waar’ mijn vrees slechts angst en ijdle waan!
’k Vrees, lieve neef, uw ondergang breekt aan!
(Gloster door eenige Dienaren weggeleid.)
KONING HENDRIK. Lords, doet of doet te niet, al wat uw wijsheid
Het raadzaamst acht, alsof wijzelf er waren.
KONINGIN MARGARETHA. Uw hoogheid wil het parlement verlaten?
KONING HENDRIK. Ja, Margaretha, leed verdrinkt mijn hart;
Zijn vloed stijgt in mijn oogen, overstroomt ze;
Mijn lichaam is van jammer gansch omgord;
Want wat is jammervoller dan misnoegdheid?—
Oom Humfried, ach! ik zie in uw gelaat
De afspiegling van alle eer en trouw en waarheid;
En, goede Humfried, de ure moet nog komen,
Dat ik u valsch bevond of moet mistrouwen.
Wat booze ster misgunt u thans uw aanzien,
Dat deze groote lords en onze gade
’t Verderf beoogen van uw schuldloos leven?
Hen hebt gij niet gekrenkt, niemand gekrenkt,
En evenals de slachter ’t zuigkalf wegneemt,
En bindt, en slaat wanneer het zijwaarts wil,
En voorttrekt naar het bloedig slagersblok,
Zoo werd hij zonder deernis meegesleurd;
En evenals de moeder loeiend rondloopt,
En staart, waarheen haar jong werd weggevoerd,
En niets kan doen dan jamm’ren om haar liev’ling,
Bejammer ik des goeden Gloster’s val
Met tranen, die niet helpen, blik hem na
Met dofgekreten oog en kan niets doen,
Want zijn gezworen haters zijn te machtig.
’k Wil weenen om zijn deerlijk lot en geef
Bij elken snik dus lucht aan mijn verdriet:
„Wie ooit verrader zijn moog’, Gloster niet.”
(Koning Hendrik af, gevolgd door allen, behalve Koningin
Margaretha, Kardinaal Beaufort, Suffolk, York en Somerset; de
laatste blijft afzonderlijk staan.)
KONINGIN MARGARETHA. Sneeuw, waarde lords, smelt bij de heete zon,
Hendrik, mijn heer, is koud bij groote zaken,
Te vol van dwaze deernis; Gloster’s schijn
Misleidt hem, evenals de krokodil 226
Met droef geschrei den weeken wandlaar vangt,
Of als de slang, verscholen onder bloemen,
Met glanzend bonte huid, een kind verwondt,
Dat om die schoonheid haar iets heerlijks waant.
Voorwaar, zoo niemand wijzer was dan ik,—
En toch, mijn wijsheid raadt hier, meen ik, goed,—
Dra ware Gloster vrij van aardsche smart,
En wij van alle vrees voor hem bevrijd.
KARDINAAL. Nu, dat hij sterft, is goede staatsmanskunst,
Doch wij behoeven voor zijn dood een reden;
Hij sterve naar den eisch van recht en wet.
SUFFOLK. Dit ware, naar mij dunkt, geen staatsmanskunst;
Wis zal de koning trachten hem te redden,
En ’t volk staat moog’lijk op om hem te redden;
En beet’re gronden kunnen wij niet geven,
Dan argwaan slechts, dat hij den dood verdient.
YORK. Gij wilt zijn dood dus niet, dat is uw leer.
SUFFOLK. O, York, geen mensch op aarde wenscht dien meer.
YORK (ter zijde.) York heeft nog beet’re gronden voor zijn dood.—
(Luid.) Doch spreekt, lord kardinaal en gij, lord Suffolk,
Zegt eens ronduit, spreekt zooals ’t in uw hart is,
Is ’t niet één doen, een hongrige’ arend kiezen
Om kiekens voor een leêgen wouw te hoeden,
En Humfried, om den koning te beschermen?
KONINGIN MARGARETHA. Het ware een wisse dood voor de arme kiekens.
SUFFOLK. Ja, hooge vrouw; en is het dan geen waanzin,
Den vos als kuddewachter aan te stellen?
Werd die als sluwe moord’naar aangeklaagd,
Wie zou zijn schuld daarmee ontschuldigd achten,
Dat hij zijn plan nog niet had uitgevoerd?
Neen, vonnist hem ter dood, wijl hij een vos is,
Bewezen vijand van natuur der kudde,
Aleer zijn muil bemorst is met rood bloed,
Als Humfried is, bewezen, van mijn vorst.
En niet gesammeld, hoe men hem zal dooden;
Zij ’t met een strik, een val, een sluwe vond,
In slaap of wakend, alles is hetzelfde,
Zoo hij slechts sterft; want dat is goed bedrog,
Dat eerst hèm velt, die ’t eerst zon op bedrog.
KONINGIN MARGARETHA. ’t Is vastberaden, driewerf eed’le Suffolk!
SUFFOLK. Niet vastberaden, voor ’t ook is geschied;
Want veel wordt vaak gezegd, maar niet gemeend;
Doch zie, of niet mijn hart mijn tong beaamt,—
Wijl ik de daad als prijzenswaard erken,
En ik mijn vorst wil hoeden voor zijn vijand,—
Beveel het, en ik wil zijn priester zijn. 272
KARDINAAL. Maar liefst zag ik hem dood, mylord van Suffolk,
Eer gij eens priesters wijding kunt erlangen.
Zeg, dat gij toestemt en het plan bezegelt,
En ik bezorg u, die de daad volvoert;
Zóó gaat mij ’s konings veiligheid ter harte.
SUFFOLK. Hier is mijn hand; ’t is een lofwaardig werk.
KONINGIN MARGARETHA. Dit zeg ook ik.
YORK. En ik; en nu wij drieën dit besloten,
Wil ’t luttel zeggen, wie ons vonnis wraakt.
(Een Bode komt op.)
BODE. Van Ierland, hooge heeren, kom ik ijlings
U melden, dat rebellen ’t hoofd er hieven,
En de Engelschen verdelgen met het zwaard.
Zendt hulp, mylords, en stuit bijtijds hun woede,
Aleer de wond gansch ongeneeslijk wordt;
Nu zij nog versch is, is er hoop op heeling.
KARDINAAL. Een bres voorwaar, die daad’lijk dichting eischt.
Wat raad geeft gij bij dit gewichtig nieuws?
YORK. Dat Somerset er heenga als regent.
Hij, zoo gelukkig in ’t bewind, redt alles;
’t Geluk, dat hij in Frankrijk had, getuigt het.
SOMERSET. Zoo York, met al zijn vergezochte staatkunst,
In mijne plaats regent er was geweest,
Hij ware in Frankrijk nooit zoo lang gebleven.
YORK. Niet tot het land verloren was, als gij;
’k Had eer bijtijds mijn leven ingeboet,
Dan zulk een last van schande thuis gebracht,
Door tot het land verloren was te blijven.
Toon mij één wond, één schram, die tuigt van moed;
Slechts zelden wint, wie zoo zijn vleesch behoedt.
KONINGIN MARGARETHA. Stil, stil, die vonk sloeg wis in vlammen uit,
Zoo wind en brandstof nu het vuur kwam voeden.—
Zwijg, goede York;—vriend Somerset, wees kalm;—
Waart gij, York, daar regent geweest, wellicht
Had uw geluk nog minder zelfs erlangd.
YORK. Minder dan niets? Dan dale er schande op allen!
SOMERSET. En onder hen op u, die schande wenscht.
KARDINAAL. Mylord van York, beproef eens, hoe gij slaagt.
De onstuimige Iersche Kernen zijn in opstand
En weeken woest hun grond met Engelsch bloed;
Wilt gij een legermacht naar Ierland voeren,
Keurvolk, uit ieder graafschap uitgelezen,
En tegen de Ieren uw geluk beproeven?
YORK. Ik wil het, als zijn majesteit het wenscht.
SUFFOLK. Nu, ons gezag is ook des konings jawoord,
En wat wij hier bepalen vindt hij goed;
Dus, eed’le York, belast u met die taak. 318
YORK. Het zij dan zoo. Zorgt gij voor krijgers, lords;
Ik regel midd’lerwijl mijn eigen zaken.
SUFFOLK. Een taak, lord York, waar ik mij van zal kwijten.
Doch nu weer van den valschen hertog Humfried.
KARDINAAL. Niets meer van hem; ik zal zoo voor hem zorgen,
Dat hij ons verder nimmer lastig zij;
En nu van hier, de dag is schier voorbij;—
Lord Suffolk, ’t verd’re tusschen u en mij.
YORK. Mylord van Suffolk, ik verwacht mijn krijgers
Te Bristol binnen veertien dagen tijds;
Daar wensch ik hen naar Ierland in te schepen.
SUFFOLK. Ik zorg, dat zij er zijn, mylord van York.
(Allen af, behalve York.)
YORK. York, nu of nimmer, staal uw angstig hart,
En worde uw weiflen vastbeslotenheid;
Word wat gij hoopt, of wijd, wat gij nu zijt,
Den dood toe; ’t is een zijn, niet levenswaardig.
Vrees, bleek van kaken, woon’ bij laaggeboor’nen,
Maar vind’ geen wijkplaats in een vorstlijk hart.
Als voorjaarsbuien komt mij denk- bij denkbeeld,
Doch niet één denkbeeld, dat niet grootheid denkt.
Mijn brein, meer wevend dan de noeste spin,
Spant rustloos voor mijn haters net op net.
Goed, eed’le grooten, goed; ’t is slim bedacht,
Mij weg, van hier te zenden met een heermacht.
Gij koestert, vrees ik, een verstijfde slang,
Die ge aan uw boezem warmt en die u steekt.
Manschappen miste ik en die geeft gij mij;
Ik zeg u dank, maar weet, een’ dolhuis-man
Drukt gij recht scherpe wapens in de hand.
Voedt Ierland mij een leger, tevens wek ik
Een zwarten storm in England op; die blaast
Tienduizend zielen hel- of hemelwaarts;
En rusten zal dit gruwlijk noodweer niet,
Aleer de gouden haarband om mijn hoofd,
Gelijk der eed’le zonne held’re stralen,
De woede stilt der dol verwekte vlaag.
En tot mijn dienst bij dit mijn plan heb ik
Een stuggen Kentschen dolkop overreed,
John Cade uit Ashford,
Oproer te maken, wat hij goed verstaat,
En voor John Mortimer zich uit te geven.
Ik zag dien dollen Cade in Ierland eens
Zich weren tegen heel een bende Kernen;
Hij vocht, totdat zijn schenkels door hun pijlen
Geleken op een toornig stekelvarken; 363
En toen hij eind’lijk vrij was, zag ik hem
Een hoogen sprong doen als een moorendanser,
Zijn pijlen schuddend, zooals die zijn klokjes.
Vaak knoopte hij, als stoppelhaar’ge Kern
Vermomd, gesprekken met den vijand aan,
Kwam onontdekt tot mij terug en gaf
Mij dan berichten van hun schurkerijen.
Die duivel zij mijn plaatsvervanger hier;
Want op den pas gestorven Mortimer
Gelijkt hij van gelaat, in gang en spraak;
’k Verken zoo ’s volks gezindheid, of hun ’t huis,
En de aanspraak op den troon, van York behaagt.
En stel, hij werd gegrepen en gefolterd,
Dan weet ik, dat geen pijn, die zij hem aandoen,
Hem ooit ontperst, dat ik ten strijd hem dreef.
O stel, ’t gelukt hem, wat waarschijnlijk is,
Nu, dan kom ik met heel mijn macht uit Ierland,
En maai den oogst, door dezen schelm gezaaid;
Want is eens Humfried dood, wat dra zal zijn,
En Hendrik uit den weg,—’t wordt alles mijn.
(York af.)