DERDE TOONEEL.

Londen. De slaapkamer van Kardinaal Beaufort.

Koning Hendrik, Salisbury, Warwick en Anderen komen op. Kardinaal

Beaufort ligt te bed, Dienaars staan om hem heen.

KONING HENDRIK. Hoe is ’t, mylord? Beaufort, spreek tot uw vorst.

KARDINAAL. Zijt gij de dood? Ik geef u Englands schatten;

Genoeg om zulk een eiland u te koopen,

Zoo gij mij ’t leven laat, en zonder pijn.

KONING HENDRIK. O, welk een blijk van een misdadig leven,

Als ’t naad’ren van den dood zoo wordt gevreesd!

WARWICK. Beaufort, uw koning is ’t, die tot u spreekt.

KARDINAAL. Brengt, brengt mij voor ’t gerecht, wanneer gij wilt.

Hij stierf in bed; waar anders zou hij sterven?

Kan ik een mensch, wien ook, tot leven dwingen?— 10

O, foltert mij niet meer; ik wil bekennen.—

Weer levend? O, toont dàn mij, waar hij is;

Ik geef wel duizend pond om hem te zien.—

Hij heeft geen oogen; zij zijn blind, vol stof.—

Kamt neer zijn haren; die staan op; zij zijn

Lijmroeden, om mijn ziel, die vliegt, te vangen.—

Geeft mij te drinken; zegt aan de’ apotheker,

Dat hij het sterk vergif breng’, dat ik kocht.

KONING HENDRIK. Gij Eeuw’ge, die des hemels gang bestuurt,

Zie met genadig oog op dezen worm!

O, drijf den rustloos driesten duivel weg,

Die thans met macht zijn arme ziel bestormt!

Bevrijd zijn boezem van die zwarte wanhoop!

WARWICK. Zie, hoe de doodstrijd zijn gelaat verwringt!

SALISBURY. O, stoor hem niet, laat hem in vrede scheiden.

KONING HENDRIK. Zij vrede zijner ziel, als ’t God behaagt.

Lord Kardinaal, verwacht gij Gods genade,

Zoo hef uw hand tot teeken uwer hoop.—

Hij sterft, en geeft geen teeken.—God, vergeef hem!

WARWICK. Een dood, zoo boos, verraadt een gruw’lijk leven.

KONING HENDRIK. O, oordeel niet, want zondaars zijn wij allen.—

Druk de oogen toe, en trek den voorhang dicht;

En keeren we allen tot onszelven in.

(Allen af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 69 / 165 题