VIERDE TOONEEL.

Aldaar. Een straat.

Gloster en zijn Dienaars komen op, in rouwgewaad.

GLOSTER. Zoo heeft somtijds de schoonste dag een wolk;

En zoo volgt op den zomer steeds de winter,

Kaal, nijpend door zijn booze vorst; zoo wiss’len

Staâg lief en leed, gelijk de jaargetijden.

Hoe laat is ’t, mannen?

DIENAAR. Bijna tien, mylord.

GLOSTER. Tien was het uur, waarop ik wachten moest

Op ’t komen van mijn boetedoende gade;

Hoe zal haar teedere en verwende voet

Der straten scherpe keien ooit verduren?

Bang, Nora-lief, is wis u ’t hart beklemd,

Zoo ’t laag gepeupel in ’t gelaat u staart

En bij uw schande lacht met boozen blik,

Dat steeds de raad’ren volgde van uw praalkoets,

Als ge in triomf door ’s heeren straten reedt.

Doch stil, zij komt; mijn oogen, dof van tranen,

Bereid ik voor, om haar ellend te zien.

(De Hertogin van Gloster komt op, barrevoets en in een wit hemd, met

papieren op den rug bevestigd; zij draagt een brandende kaars in de

hand; verder: Sir John Stanley, een Sheriff en Beambten.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 64 / 165 题