SALISBURY. Stomp! zorg dan, dat uw stompen raak zijn.
HORNER. Mannen, ik sta hier, om zoo te zeggen, op instigacie van mijn
knecht, om te bewijzen, dat hij een schelm is en ik, ik een eerlijk
man; en van den hertog van York, ik wil er op sterven, dat ik hem nooit
kwaad gewild heb, en de koningin ook niet.—En daarom, Peter, reken op
een slag, die neerkomt!
SALISBURY. Voort, voort! de tong van dien schavuit slaat dubbel.
Trompetter, blaas het sein; de strijd beginn’!
(Trompetgeschal. Zij vechten en Peter slaat zijn meester neder.)
HORNER. Houd op, Peter, houd op! Ik beken, ik beken mijn verraad.
(Horner sterft.)
YORK. Neem zijn wapen weg.—Knaap, dank God, en den goeden wijn, die uw
meester in den weg kwam.
PETER. O God, ik heb mijn vijand overwonnen in deze tegenwoordigheid? O
Peter, gij hebt de overhand gekregen door uw goed recht.
KONING HENDRIK. Breng dien verrader weg en uit ons oog;
Zijn dood bewijst ons, dat hij schuldig was;
En de algerechte God heeft ons onthuld
De trouw en onschuld van deze’ armen knaap,
Dien hij met boos geweld vermoorden wilde.
Kom, volg ons, knaap, en gij ontvangt uw loon.
(Allen af.)