DIENAAR. Mylord, we ontrukken, wilt gij, haar den sheriff. 17

GLOSTER. Neen, bij uw leven, stil! laat haar voorbij.

HERTOGIN. Komt gij, mijn gade, hier mijn schande zien?

Nu deelt gij in mijn straffe. Zie hen staren;

Zie, hoe de wufte menigte op u wijst,

Het hoofd schudt en haar blikken op u werpt!

Ontwijk haar booze blikken, Gloster; ween

Slechts binnenskamers om mijn schande, en vloek

Uw felle haters, beide de uwe en mijne.

GLOSTER. Mijn Nora, houd u kalm, vergeet dit leed!

HERTOGIN. O leer mij, hoe ’k mijzelf vergeet!

Zoolang ik denk, dat ik uw echte vrouw ben,

En gij een vorst, protector van dit land,

Moest men mij, dunkt mij, zoo niet rondgeleiden,

Bekneld in smaad, behangen met papieren,

Gevolgd van ’t grauw, dat juicht, nu het mijn tranen

Aanschouwt, mijn diepgewelde zuchten hoort.

Het wreed gesteente wondt mijn teed’ren voet;

En krimp ik saam, dan lacht het booze volk

En roept mij toe, behoedzaam voort te gaan.

O Humfried, spreek! kan ik dit schandjuk dragen?

Gelooft gij, dat ik ooit op aard meer rondzie,

Of hen gelukkig acht, die ’t zonlicht zien?

Neen, donker zij mijn licht, mijn dag zij nacht,

’t Herdenken van mijn vroeg’re praal mijn hel!

Dan zeg ik: „Ik ben hertog Humfried’s vrouw,

En hij een prins en een regent van ’t rijk;

Maar zoo was zijn bewind, hij zulk een vorst,

Dat hij er bij stond, toen zijn gade, hulploos,

Tot vingerdoel, tot voorwerp van bespotting

Voor ied’ren schelmschen dagdief werd gemaakt!”

Ja, wees gij zacht, en gloei niet bij mijn schande;

En roer u niet, totdat u boven ’t hoofd

De bijl des doods hangt,—wat eerstdaags zal zijn;

Want Suffolk, hij, die alles is in alles

Bij haar, die ù haat en ons allen haat,

En York, en ook die valsche paap, Beaufort,—

Lijmstangen hebben ze allen voor uw vleugels;

En vlieg vrij, hoe gij wilt, zij vangen u;

Maar blijf gij zorgloos, tot uw voet verstrikt is,

En kom vooral uw vijand nimmer voor.

GLOSTER. O Nora, stil; gij doelt geheel verkeerd;

’k Moet mij vergrijpen, eer ik word beschuldigd;

Al waren mijne haters twintigvoud,

En waar’ de macht van elk vertwintigvoudigd,

Zij allen konden mij in ’t minst niet deren,

Zoolang ik eerlijk, trouw en schuldloos ben.

Had ik uit dezen smaad u moeten rukken? 64

Ach, uwe schande waar’ niet uitgewischt,

Maar ik om wetsverkrachting in gevaar.

Neen, kalmte is uwe beste toevlucht, Nora;

Leer, bid ik, aan uw hart geduld; deze opspraak

Van weinig dagen is weldra gedaan.

(Een Heraut komt op.)

HERAUT. Ik noodig uwe genade uit voor zijner majesteit parlement, dat

op den eersten dag der volgende maand te Bury zal gehouden worden.

GLOSTER. En zonder om mijn toestemming te vragen!

Dit noem ik heimlijk doen.—Nu, ’k zal er zijn.

(De Heraut af.)

Maar Nora, thans vaarwel;—en, meester sheriff,

Beperk u bij haar boete tot het vonnis.

SHERIFF. Vergun, mylord, mijn opdracht eindigt hier;

Aan Sir John Stanley is nu opgedragen

Haar mee te nemen naar het eiland Man.

GLOSTER. Moet gij, Sir John, de hertogin bewaken?

STANLEY. Ja, uw genade, dit heb ik in last.

GLOSTER. Behandel haar niet hard, wijl ik u vraag,

Dat gij haar goed bejegent. Moog’lijk lacht

De wereld mij nog eenmaal toe en kan ik

Nog leven om het goede u te vergelden,

Dat gij haar doet. En nu, Sir John, vaarwel.

HERTOGIN. Mijn man gaat heen, en zegt mij geen vaarwel?

GLOSTER. Mijn tranen zeggen ’t u, dat ik ’t niet kan.

(Gloster en zijn Dienaren af.)

HERTOGIN. Ook gij dus heen? Ga alle troost met u;

Mij rest er geen; mijn vreugde is nu de dood,—

De dood, wiens naam zoo vaak mij rillen deed,

Omdat ik de’ eeuw’gen duur van ’t leven wenschte.—

Ik bid u, Stanley, ga en voer mij weg;

Waarheen is onverschillig; ’k vraag geen gunst;

Voer mij van hier, waarheen ’t u werd gelast.

STANLEY. En dit is, hooge vrouw, naar ’t eiland Man; 94

Daar zult gij naar uw stand behandeld worden.

HERTOGIN. Dat is—zeer slecht, want ik ben enkel smaad;

Zal mijn behandeling dus recht smaadvol zijn?

STANLEY. Als van een hertogin en Gloster’s gade;

Naar dezen stand zal uw behandeling zijn.

HERTOGIN. Leef, Sheriff, wel, en beter dan ik leef,

Al hebt gij mijn verneed’ring begeleid.

SHERIFF. Het is mijn ambt; vergeef mij, hooge vrouwe.

HERTOGIN. ’t Is zoo; vaarwel; uw ambtstaak is volbracht.—

Kom, Stanley, gaan wij?

STANLEY. Uw boete is om, werpt dus dit hemd nu af;

En gaan we u hullen in een reisgewaad.

HERTOGIN. ’k Werp met dit hemd mijn schande toch niet af;

Die zal ook aan mijn rijkste kleed’ren hangen,

En zichtbaar blijven, hoe ik mij ook tooi.

Kom, ga vooruit; ’k verlang naar mijn gevang’nis.

(Allen af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 65 / 165 题