Aldaar. Een Gerechtszaal.
Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Gloster, York,
Suffolk en Salisbury en Gevolg komen op; de Hertogin van Gloster,
Margriet Jordaan, Southwell, Hume en Bolingbroke worden door de wacht
binnengeleid.
KONING HENDRIK. Treed voor, Lenora Cobham, Gloster’s vrouw.
Voor God en ons is uwe misdaad groot;
Hoor de uitspraak van de wet voor zulke zonden,
Die naar Gods woord doodschuldig zijn gekeurd.—
Gij and’re vier, terug naar uwen kerker;
En uit den kerker naar de plaats der straf:
Te Smithfield zij de heks tot asch verbrand;
U drieën wacht de wurging aan de galg.—
Gij, hertogin, als aad’lijk van geboorte
Zult gij, ontbloot van al uw wereldsche eer,
Drie dagen openbare boete doen,
Dan in uw eigen land verbannen leven,
Bij Sir John Stanley op het eiland Man.
HERTOGIN. Welkom, verbanning! Welkom waar’ mij dood.
GLOSTER. Gij ziet, Lenore, u heeft de wet gevonnisd,
Vrijspreken kan ik niet, waar zij veroordeelt.
(De Hertogin en de overige Gevangenen worden weggevoerd.)
Vol tranen is mijn oog; vol leed mijn hart.
Ach, deze schande van uw ouderdom
Doet, Humfried, van verdriet ten grave u dalen.—
Ik smeek uw hoogheid, heen te mogen gaan;
Mijn leed wil troost, mijn ouderdom wil rust.
KONING HENDRIK. Wacht, hertog Humfried; geef mij, eer gij gaat,
Uw staf; want Hendrik wil voortaan zijn eigen
Protector zijn; en God zij nu mijn hoop,
Mijn steun, mijn gids, een lamp voor mijnen voet!
En ga in vrede, mij niet minder dierbaar,
Dan vroeger als protector van uw vorst.
KONINGIN MARGARETHA. Ik zie niet in, waarom een mondig koning
Beschermd behoeft te worden als een kind.—
Dat Hendrik zelf met God het roer nu houd’!—
Hergeef dus ’t rijk, den staf, u toevertrouwd.
GLOSTER. Den staf?—Hier is mijn staf, doorluchte Hendrik;
’k Hergeef u even gaarne dezen staf,
Als eens uw vader Hendrik dien mij gaf;
’k Leg evenzeer hem neder zonder rouw,
Als and’rer hand hem gretig vatten zou.
Vaarwel, mijn vorst, en moog’, na mijn verscheiden,
Steeds eer en vrede u aan den troon verbeiden.
(Gloster af.)
KONINGIN MARGARETHA. Nu zijt gij koning, ik nu koningin, 39
En Humfried Gloster nauwlijks meer zichzelf,
Maar zwaar verminkt;—twee slagen op eenmaal:
Zijn vrouw verbannen, hem een lid gekapt,
En de’ eerestaf ontroofd;—nu blijv’ dat pand
Van ’t hooggezag, waar ’t past,—in Hendriks hand.
SUFFOLK. Zoo breekt die fiere den, en buigt het hoofd;
Zoo wordt Lenore’s jonge trots gedoofd.
YORK. Genoeg van hem, mylords.—’t Behage uw hoogheid,
Dit is de dag, voor ’t tweegevecht bepaald;
En klager en beklaagde staan gereed,
De wapensmid en zijn gezel, bij ’t strijdperk,
Zoo uwe hoogheid dezen kamp wil zien.
KONINGIN MARGARETHA. Wis, beste lords; opzett’lijk kwam ik herwaarts
Van ’t hof, om deze zaak te zien beslechten.
KONING HENDRIK. In Gods naam, regelt dan de plaats en alles;
De strijd beslisse, en God bescherme ’t recht!
YORK. Nog nooit zag ik een knaap, zoo erg ontdaan,
Zoo angstig om te vechten, als de klager,
Die dienaar van den wapensmid, mylords.
(Van de eene zijde komt Horner op met zijn Buren, die hem zóó
toedrinken, dat hij beschonken wordt; hij draagt een stang met een
zandbuidel aan het eind en wordt voorafgegaan door een Trommelslager.
Van de andere zijde komt Peter evenzoo op, met een Trommelslager en een
stang, begeleid door Gezellen, die hem toedrinken.)
EERSTE BUURMAN. Hier, buur Horner, ik drink u met een glas sek toe. En
wees maar niet bang, buurman; het zal wel goed gaan.
TWEEDE BUURMAN. En hier is een kroes Charneco, buurman.
DERDE BUURMAN. En hier een pint best dubbelbier, buurman, drink, en
wees niet bang voor dien gezel!
HORNER. Laat maar komen, wat er wil, ik doe u allen bescheid; en een
knip voor den neus voor Peter!
EERSTE GEZEL. Hier, Peter, ik drink u toe; en wees niet bang.
TWEEDE GEZEL. Goedsmoeds, Peter, en geen angst voor den baas; houd de
eer op van de gezellen!
PETER. Ik dank u allen; drinkt en bidt voor mij, wat ik u bidden mag;
want ik geloof, dat ik mijn laatsten slok in deze wereld gedaan
heb.—Gij Robert, als ik sterf, geef ik u mijn schootsvel; en Willem,
gij zult mijn hamer hebben;—en hier, Tom, neem al het geld, dat ik
heb.—O God, sta mij bij! O God, bid ik, want ik kan het nooit tegen den
baas uithouden, hij heeft al zoo goed vechten geleerd.
SALISBURY. Kom aan, houdt op met drinken en begint te vechten.—Gij
knaap, hoe heet gij?
PETER. Peter, inderdaad.
SALISBURY. Peter,—hoe nog meer?