Londen. De tuin van den Hertog van York.
York, Salisbury en Warwick komen op.
YORK. Mijn waarde lords van Salisbury en Warwick,
Vergun, dat ik, na ons eenvoudig maal,
Op deze stille wand’ling mij geruststel,
En u verzoek, dat uw onfeilbaar oordeel
Mijn recht en aanspraak toetse op Englands troon.
SALISBURY. Ik zal, mylord, die gaarne hooren staven.
WARWICK. Spreek, beste York, en is uw aanspraak goed,
Dan zijn de Nevils wis uw onderdanen.
YORK. Zoo hoort:—
Edward de derde, lords, had zeven zoons:
Eerst Edward, prins van Wales, de zwarte prins;
Ten tweede William Hatfield; Lionel,
Hertog van Clarence, was de derde; dan
Kwam Jan van Gent, hertog van Lancaster;
Dan verder Edmond Langley, hertog York;
Thomas van Woodstok, hertog Gloster, volgde;
William van Windsor was de laatste en zevende.
Edward, de zwarte prins, stierf vóór zijn vader,
En had één zoon slechts, Richard, die na ’t sterven
Des derden Edwards zat op Englands troon,
Tot Hendrik Bolingbroke, van Lancaster,
De zoon en erfgenaam van Jan van Gent,
Hendrik de vierde bij zijn koningsnaam,
Van ’t rijk, welks rechten koning hij verdrong,
Zich meester maakte, de arme koningin
Naar Frankrijk huiswaarts zond, den vorst naar Pomfret,
Alwaar, zooals u beiden is bekend.
De goede Richard schandlijk werd vermoord.
WARWICK. ’t Is vader, juist gelijk de hertog zegt;
Zoo steeg het huis van Lancaster ten troon.
YORK. Dien ’t nu door macht bezit, maar niet naar recht;
Toen Richard stierf, de zoon des eerstgeboor’nen,
Was ’t rijk aan ’t kroost des naasten zoons vervallen.
SALISBURY. Doch William Hatfield liet geen kind’ren na.
YORK. De derde zoon was Clarence, uit wiens lijn
Mijn aanspraak stamt; hij liet een dochter na,
Philippa, die met Edmond Mortimer,
Den graaf van March, gehuwd was; Edmond nu
Had Roger Mortimer, graaf March, tot zoon,
Wiens kroost was: Edmond, Anna en Lenore.
SALISBURY. Deze Edmond eischte tijdens Bolingbroke 39
De kroon voor zich,—dit heb ik wel gelezen,—
En waar’ geslaagd, indien niet Owen Glendower
Hem levenslang in hechtnis had gehouden;
Doch ga nu voort.
YORK. Zijn oudste zuster, Anna,
Mijn moeder, die zijn rechten erfde, huwde
Met Richard, graaf van Cambridge, die de zoon was
Van Edmond Langley, Edwards vijfden zoon.
Door haar komt mij de kroon toe; zij beërfde
Roger, den graaf van March, en die was zoon
Van Edmond Mortimer en van Philippa,
Die de een’ge dochter was van Lionel,
Hertog van Clarence. Zoo dus de oudste lijn
Den jong’ren tak moet voorgaan, ben ik koning.
WARWICK. ’t Is duid’lijk; wat kan meer beslissend zijn?
Hendrik bezit de kroon van Jan van Gent,
Den vierden zoon; York’s recht stamt van den derden.
Niet vóór diens kroost ontbrak, mocht Hendrik heerschen;
Maar ’t bloeit nog steeds in u en in uw zoons,
De schoone spruiten van den eed’len boom.
Dies, vader Salisbury, hier saam geknield!
Laat ons op stille plek hier de eersten zijn,
Die onzen echten souverein begroeten,
Zijn erfrecht op de kroon nu hulde doen.
BEIDEN. Lang leve koning Richard, onze heer!
YORK. Wij danken, lords; doch koning ben ik niet,
Eer ik gekroond ben en mijn zwaard geverfd is
Door ’t hartebloed van ’t huis van Lancaster;
En dit is geenszins plotsling te volvoeren,
Maar eischt beleid en stille heimlijkheid.
Doet zooals ik in dezen boozen tijd,
Drukt de oogen toe bij Suffolk’s onbeschaamdheid,
Beaufort’s trots, Somerset’s eerzuchtig streven,
En dat van Buckingham en heel hun bent,
Tot zij den herder van de kudde omstrikken,
Den eed’len vorst, den goeden hertog Humfried.
Dit zoeken zij; maar vinden bij dit zoeken
Hun eigen dood, zoo York iets spellen kan.
SALISBURY. Genoeg, mylord; wij kennen thans uw streven.
WARWICK. Mijn hart is mij een waarborg, dat graaf Warwick
York’s hertog eens tot koning maken zal.
YORK. En, Nevil, hiervoor blijf ikzelf u borg,
Door Richard wordt eenmaal de graaf van Warwick
De grootste man in England na den koning.
(Allen af.)