SUFFOLK. Juist; springen, vliegen viel een lamme licht. 162

GLOSTER. Gij, heer, deedt grooter wond’ren dan ik heden,

Want vliegen deedt ge op één dag gansche steden.

(Buckingham komt op.)

KONING HENDRIK. Wat tijding brengt mijn neef van Buckingham?

BUCKINGHAM. Een, die mijn ziele huivert u te ontvouwen.

Een troep nietswaard gespuis, zeer slecht gezind,

Heeft, met de hulp en medeplichtigheid

Van des protectors gade Eleonore,

De aanvoerster en het hoofd van heel dit rot,

Met schandlijk overleg uw troon bedreigd,

Met heksen en bezweerders in verbond;

Wij hebben hen op heeter daad betrapt,

Toen ze uit de diepte helsche geesten daagden,

Hun vroegen naar het leven en den dood

Des konings en der leden van zijn raad,

Zooals uw hoogheid nader hooren zal.

KARDINAAL. En dus, mylord protector, moet uw gade

Weldra te Londen voor ’t gerecht verschijnen.

(Ter zijde tot Gloster.) Dit nieuws, vermoed ik, keert uw wapen af,

En aan uw uur zult gij u wel niet houden.

GLOSTER. Gij trotsche paap, laat af mijn hart te krenken.

Gebroken is mijn kracht door zorg en leed,

En overweldigd wijk ik thans voor u,

Ja, voor den laagsten knecht.

KONING HENDRIK. O God, wat onheil stichten toch de boozen;

Hoe hoopen ze op hun eigen hoofd verderf!

KONINGIN MARGARETHA. Gloster, gij ziet de smetten van uw nest;

Zorg, dat gijzelf nu rein zijt, dit is ’t best.

GLOSTER. Ik, vrouwe? God getuig’, hoe ik altijd

Mijn liefde aan land en koning heb gewijd;

Doch met mijn vrouw,—ik weet niet, hoe het staat,

En ben bedroefd te hooren, wat ik hoorde.

O, edel is zij, maar indien zij deugd

En eer vergat, en omging met gespuis,

Dat, zooals pik, een edel huis besmet,

Verban ik haar van mij, mijn disch en bed;

Die vrouw laat ik als buit aan straf en schande,

Die Gloster’s naam onteerd heeft in den lande.

KONING HENDRIK. Nu, deze nacht nog willen wij hier rusten,

En morgen keeren wij naar Londen weer,

Doorgronden daar de zaak met alle zorg,

En dagen de euveldaders ten verhoor,

En wegen alles in de juiste schalen

Van ’t recht, welks woord en wijzing nimmer falen.

(Trompetgeschal. Allen af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 60 / 165 题