VIERDE TOONEEL.

Aldaar. De tuin van den Hertog van Gloster.

Margriet Jordaan, Hume, Southwell en Bolingbroke komen op.

HUME. Komt, mannen, de hertogin, zeg ik u, verwacht de vervulling van

uw beloften.

BOLINGBROKE. Wij zijn er op voorbereid, vriend Hume. Zal hare genade

onze bezweringen zien en hooren?

HUME. Ja zeker, wat anders? Wees om haar moed niet bezorgd.

BOLINGBROKE. Ik heb van haar hooren zeggen, dat zij een vrouw is van

een onwrikbaren geest. Maar het zal verkieslijk zijn, meester Hume, dat

gij boven bij haar zijt, terwijl wij hier beneden werkzaam zijn. Ga gij

daarom in Gods naam en laat ons alleen. (Hume af.)—Moeder Jordaan, leg

gij u neer en kruip over den grond.—John Southwell, gij moet lezen.—En

nu, aan den gang.

(De Hertogin verschijnt op het balkon.)

HERTOGIN. Goed, mannen! weest allen welkom!

Komt! aan ’t werk, hoe eerder hoe beter.

BOLINGBROKE. Kalm, eed’le vrouw! een toov’naar kent zijn tijd.

De nacht, de zwarte nacht, de holle nacht,

De tijd der nacht, dat Troje in vlam gezet werd,

Dat uilen schreeuwen, kettinghonden huilen,

En geesten waren, schimmen ’t graf ontstijgen,

Die tijd past voor ons voorgenomen werk.

Zit neder, en ontstel niet; wien wij roepen,

Dien houden we in een heil’gen cirkel vast.

(Hier volbrengen zij de vereischte plechtigheden en trekken den

tooverkring; Bolingbroke, of Southwell, leest: Conjuro te, enz. Het

dondert en bliksemt vreeselijk. Dan rijst de Geest op.)

GEEST. Adsum.

MARGRIET JORDAAN. Asmath!

Bij de’ eeuw’gen God, wiens groote naam en macht

U sidd’ren doen, geef antwoord op mijn vragen;

Want eer gij spreekt, laat ik u niet van hier.

Koning Hendrik de Zesde · 第 55 / 165 题