PETER. Ach, edele heer, ik kan niet vechten; om Gods wil, heb
medelijden met mij! de boosaardigheid van de menschen is mij te sterk!
O Heer, wees mij genadig! Ik ben niet in staat om een enkelen slag te
vechten. O, lieve God, mijn hart!
GLOSTER. Neen, knaap, zoo is het: vechten zult ge of hangen.
KONING HENDRIK. Voert hen gevangen weg; de laatste dag
Der maand, die volgt, zij voor ’t gevecht bepaald.—
Kom, Somerset, wij reeg’len uw vertrek.
(Allen af.)