GEEST. Vraag, wat gij wilt.—Waar’ ’t spreken reeds voorbij! 31

BOLINGBROKE (de vragen oplezend). „Eerst van den koning. Welk een lot

wacht hem?”

GEEST. Een hertog, een, die leeft, zet Hendrik af;

Hem overleeft hij, zal door het zwaard vergaan.

(Terwijl de Geest spreekt, schrijft Southwell het antwoord op.)

BOLINGBROKE. „Wat is het lot, dat hertog Suffolk wacht?”

GEEST. Door water komt hij om en vindt zijn einde.

BOLINGBROKE. „Wat zal den hertog Somerset weervaren?”

GEEST. Kasteelen moog’ hij mijden;

Veel veil’ger is hij op een zandig strand,

Dan waar burgtinnen hemelwaarts zich heffen.

Ontsla mij, nauwlijks kan ik meer verduren.

BOLINGBROKE. Zoo daal dan neer in nacht en ’t vuur’ge meer.

Weg, booze geest!

(Donder en bliksem. De Geest verdwijnt.)

(York en Buckingham, William Stafford en Anderen komen haastig op, met

Wachten.)

YORK. Grijpt die verraders met hun tooverkraam!—

Zoo, oude heks, nu hebben we u betrapt!—

Wat! gij hier, vrouwe? voor een moeite als deze

Zijn rijk en koning diep bij u in schuld;

De lord protector brengt u zonder twijfel

Zijn hoogen dank voor zulke goede diensten.

HERTOGIN. Niet half zoo slecht, als de uwe aan Englands koning.

Smaadlustig man, die zonder reden dreigt!

BUCKINGHAM (ziet de papieren in). Geen reden, vrouwe? nu, hoe noemt gij

dit?

(Hij houdt haar een papier voor.)

YORK. Weg met hen, en draagt zorg hen wèl gescheiden

Te kerk’ren.—Gij mevrouwe, gaat met ons;

Stafford, voer gij haar met u.—

(De Hertogin boven af.)

Nu komt uw konk’len al te gaâr aan ’t licht;

Weg met hen allen!

(De Wacht met Southwell, Bolingbroke enz. af.)

YORK. Lord Buckingham, gij hebt hen goed bewaakt;

Een prachtig plan om verder op te bouwen!

Komt, laat ons kijken wat de duivel schrijft.

Wat staat hier?

(Hij leest.) „Een hertog, een die leeft, zet Hendrik af;

Hem overleeft hij, zal door ’t zwaard vergaan.”

Nu, ’t is volkomen:

Aio te, Æacida, Romanos vincere posse.

Goed; verder;

„Wat is het lot, dat hertog Suffolk wacht?—

Door water komt hij om en vindt zijn einde.—

Wat zal den hertog Somerset weervaren?

Kasteelen moog hij mijden;

Veel veil’ger is hij op een zandig strand,

Dan waar burgtinnen hemelwaarts zich heffen.”

Wat zegt gij, lords?

Zwaar zijn orakelspreuken te verkrijgen,

En zwaar ook te verstaan.

De koning is op weg naar Sint-Albaans,

De man van deze teed’re vrouw is bij hem;

Daarheen ga ’t nieuws, zoo snel een paard kan loopen,

Den lord protector wel een boos ontbijt!

BUCKINGHAM. Dat ik de bode zij, mylord van York;

Ik hoop van hem op rijklijk bodeloon.

YORK. Zooals gij wilt, mylord.—Hé, is daar iemand?

(Een Dienaar komt op.)

Ga, noodig aan mijn disch voor morgenavond

De lords van Salisbury en Warwick.—Komt!

(Allen af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 56 / 165 题