Aldaar. Een vertrek in het paleis.
Peter komt op en Anderen, met smeekgeschriften.
EERSTE SMEEKELING. Mannen, hier post gevat; de lord beschermheer komt
hier zoo dadelijk langs; en dan bieden wij hem onze smeekschriften
allen gezamenlijk aan.
TWEEDE SMEEKELING. Nu, dat God hem bescherme, want hij is een goed man;
de Heere Jezus zegene hem!
(Suffolk en Koningin Margaretha komen op.)
EERSTE SMEEKELING. Ik geloof, daar is hij, en de koningin is bij hem.
Ik wil de eerste zijn, ja!
TWEEDE SMEEKELING. Terug, gij dwaas; dat is de hertog van Suffolk, en
niet de lord protector.
SUFFOLK. Wat is er, knaap? verlangt gij iets van mij?
EERSTE SMEEKELING. Ik bid u, mylord, vergeef mij; ik hield u voor den
lord protector.
KONINGIN MARGARETHA. Voor den lord Protector! Zijn uw smeekschriften
aan zijn lordschap gericht? Laat ze mij zien.—Waarover loopt het uwe? 17
EERSTE SMEEKELING. Het mijne, met verlof van uwe genade, is tegen John
Goodman, den lord kardinaal zijn dienaar, omdat hij mij mijn huis en
landerijen en vrouw en alles onthoudt.
SUFFOLK. Uw vrouw ook? dat gaat ook wezenlijk wat ver!—Wat hebt gij?
(Hij leest.)—Wat zie ik?—„Tegen den hertog van Suffolk, wegens het voor
zich afpalen van de gemeenteweiden van Melford.”—Wat moet dat, gij
schurk?
TWEEDE SMEEKELING. Ach, heer, ik ben slechts een arme suppliant voor
onze geheele buurtschap.
PETER (zijn smeekschrift overreikend). Tegen mijn meester, Thomas
Horner, om het zeggen, dat de hertog van York de wettige erfgenaam van
de kroon is.
KONINGIN MARGARETHA. Wat zegt gij? zeide de hertog van York, dat hij de
wettige erfgenaam der kroon was?
PETER. Dat mijn meester het was? Neen, waarlijk niet; mijn meester
zeide, dat hij het was; en dat de koning een onrechtmatig bezitter was.
SUFFOLK. Is daar iemand?
(Een Dienaar komt op.)
Neem dien knaap mee naar binnen, en zend dadelijk een gerechtsbode om
zijn meester.—Wij willen meer van uw zaak hooren, en in ’t bijzijn van
den koning.
(De Dienaar met Peter af.)
KONINGIN MARGARETHA. Wat u betreft, gij, die protectie wacht
Van des protectors vleug’len, schrijft uw smeekschrift
Van voren af aan opnieuw en smeekt tot hem.
(Zij verscheurt de smeekschriften.)
Weg, gij schavuiten!—Suffolk, jaag hen weg.
DE SMEEKELINGEN. Komt, laat ons heengaan!
(De Smeekelingen af.)
KONINGIN MARGARETHA. Mylord van Suffolk, spreek, is dit de mode,
Is dit de wijs van doen aan Englands hof?
Is dit hier in Brittanje ’t koningschap,
Is dit de macht van Albions beheerschers?
Wat! blijft hier koning Hendrik steeds onmondig,
Steeds onder toezicht van den wreev’len Gloster?
Moet ik in rang en titel koningin,
Maar onderdane van een hertog zijn? 52
Ik zeg u, Pole, toen ge in ’t aloude Tours
Ter eere van mijn liefde een rit bestondt,
En onzer Fransche vrouwen harten staalt,
Toen dacht ik, koning Hendrik zou op u,
In moed, in hoff’lijkheid, in bouw gelijken,
Maar al zijn lust is heiligheid; hij telt
Ave Maria’s met zijn rozenkrans,
Apostels en profeten zijn zijn ridders,
En heil’ge bijbelspreuken zijn zijn wapens,
Zijn boekerij zijn kampplaats, zijn geliefden
De bronzen beeldjes van gestorv’ne heil’gen.
Ik wenschte, dat de raad van kardinalen
Tot paus hem koos en hem naar Rome haalde,
Zijn hoofd met de driedubble kroon omgaf;
Die waar’ de rechte tooi voor zulk een heil’ge.
SUFFOLK. Vorstin, geduld; zooals ik oorzaak was,
Dat gij naar England kwaamt, zoo wil ik ook
In England u geheel tevredenstellen.
KONINGIN MARGARETHA. Behalve Gloster is hier nog die priester,
Die heerschen wil, Beaufort, dan Somerset,
En Buckingham, en de altijd wreev’le York;
En wie de minste van die allen is,
Vermag in England meer dan zelfs de koning.
SUFFOLK. En wie van dezen nog het meest vermag,
Vermag in England minder dan de Nevils;
Warwick en Salisbury zijn meer dan pairs.
KONINGIN MARGARETHA. Mij erg’ren al die lords niet half zoo veel,
Als des protectors vrouw, die trotsche prij;
Zij zwiert door ’t hof met een gevolg van vrouwen,
Als waar’ ze een keizerin, niet Humfried’s vrouw.
Een vreemde aan ’t hof houdt haar voor koningin;
Zij draagt eens hertogs inkomsten aan ’t lijf
En op onze armoe schimpt zij in haar hart.
Zou ik het niet beleven mij te wreken?
Die trotsche, laaggeboren helleveeg!
Wat pochte ze onlangs nog bij haar vertrouwden?
De sleep der minste van haar rokken was
Meer waard dan al mijns vaders land, eer Suffolk
Twee hertogdommen voor zijn dochter gaf.
SUFFOLK. Vorstin, ik heb een roê voor haar gelijmd,
En daar een koor lokvogels bij geplaatst,
Zoodat ze, om ’t lied te hooren, zal gaan zitten
En nooit meer op zal vliegen, u tot leed:
Laat haar begaan, vorstin, en hoor naar mij;
Ik ben zoo stout, dat ik van raad u dien. 96
Mishage ons ook de kardinaal, wij moeten
Bij hem ons scharen en bij de andere lords,
Totdat wij hertog Humfried vallen deden.
Wat hertog York betreft, die laatste klacht
Zal hem gewis slechts luttel voordeel brengen.
Zoo wieden wij hen allen, een voor een,
En gij grijpt dan ’t gelukkig stuurrad aan.
(Koning Hendrik komt op, met York en Somerset in gesprek; verder de
Hertog en de Hertogin van Gloster, Kardinaal Beaufort, Buckingham,
Salisbury en Warwick.)
KONING HENDRIK. ’t Is me onverschillig, wie het wordt, mylords;
’t Zij Somerset, ’t zij York, het is mij ’tzelfde.
YORK. Heeft York de zaak in Frankrijk slecht beheerd,
Dan zij hem nu ’t regentschap daar ontzegd.
SOMERSET. Zoo Somerset dit ambt niet waardig is,
Dan worde York regent, ik sta ’t hem af.
WARWICK. Of uw genade ’t waardig is of niet,
Zij niet beslist; maar York is ’t beter waardig.
KARDINAAL. Eergier’ge Warwick, laat uw meerd’ren spreken.
WARWICK. De kardinaal is niet in ’t veld mijn meerd’re.
BUCKINGHAM. Wij hier zijn allen uwe meerd’ren, Warwick.
WARWICK. Wellicht wordt Warwick meerdere eens van allen.
SALISBURY. Stil, zoon;—en geef ons gronden, Buckingham,
Waarom in deze Somerset zou voorgaan.
KONINGIN MARGARETHA. Voorwaar, omdat de koning ’t zoo verkiest.
GLOSTER. De koning zelf, vorstin, is oud genoeg,
Dat hij ’t verklaar’. Dit zijn geen vrouwenzaken.
KONINGIN MARGARETHA. Indien hij oud genoeg is, waartoe blijft
Gij dan protector van zijn majesteit?
GLOSTER. Vorstin, ik ben protector van het rijk,
En leg mijn ambt, als hij dit vordert, neer.
SUFFOLK. Zoo leg het neer, en ook uw driestheid af.
Zoolang ge koning waart,—want wie is ’t anders?—
Leed dag op dag ’t gemeene welzijn schipbreuk;
Aan de overzij won de dauphijn steeds veld;
En alle pairs en eed’len van het rijk
Zijn slaven onder uw bewind geweest.
KARDINAAL. Het volk hebt gij verdrukt, de geestlijkheid
Hebt gij den buidel licht, ja leêg geperst. 132
SOMERSET. Op schatten komen uwe prachtgebouwen
En de opschik van uw vrouw het rijk te staan.
BUCKINGHAM. De wet werd overtreden door de wreedheid,
Waarmee gij euveldaders hebt bestraft;
Dit levert wis u aan haar strengheid over.
KONINGIN MARGARETHA. Ware uw verkoop van ambten en van steden
In Frankrijk zoo bewezen als vermoed,
Dan zoudt gij ras heenhupp’len zonder hoofd.
(Gloster gaat plotseling heen.—De Koningin laat haar waaier
vallen.)
Mijn waaier, vlug! wat, slaapster, wil gij niet?
(Zij geeft aan de Hertogin een oorveeg.)
Waart gij het, eed’le vrouw? ik vraag vergiff’nis!
HERTOGIN. Was ik het? ja, ik was het, trotsche Fransche;
Kon ik mijn nagels in uw wangen zetten,
Ik grifte er u mijn tien geboden in.
KONING HENDRIK. Kalm, beste moei; zij deed het niet met opzet.
HERTOGIN. Geen opzet! Beste vorst, pas op en tijdig,
Of zij omwindt en wiegt u als een zuigling;
Maar schoon de huisheer hier de broek niet draag’,
Niet ongestraft zal zij Lenore slaan.
(De Hertogin af.)
BUCKINGHAM. Lord kardinaal, ik ijl Lenore na,
En sla ook Humfried gade, wat hij doet;
Ze is nu geprikkeld en behoeft geen spoor
Om dol van woede in haar verderf te rennen.
(Buckingham af.)
(Gloster komt weder op.)
GLOSTER. Nadat ik, lords, mijn gal heb afgekoeld,
Door hier het binnenhof eens rond te gaan,
Kom ik de staatsbelangen weer bespreken.
Wat gij mij fel en valsch hebt aangetegen,
Bewijst dit, en ik wacht de rechtspraak af;
Maar zij zoo waar mijn ziele God genadig,
Als ik getrouw mijn land en koning min.
Doch nu de zaak, die ons hier bezighoudt.—
Ik zeg, mijn vorst, York is het meest geschikt
Om uw regent te zijn in ’t Fransch gebied.
SUFFOLK. Aleer we een keuze doen, zij mij vergund,
Dat ik met gronden van gewicht hier aantoon,
Hoe York het minst van allen er voor deugt.
YORK. Ik weet, waarom ik ongeschikt ben, Suffolk;
Vooreerst, wijl ik uw trots niet vleien kan;
En dan, omdat, zoo ’t ambt mij toevertrouwd werd,
Mylord van Somerset mij hier zou houden,
Van manschap, geld en krijgsvoorraad ontbloot,
Tot Frankrijk den dauphijn in handen valt;
Zoo liet hij mij ook wachten, toen Parijs
Berend werd, uitgehongerd en verloren.
WARWICK. Ik kan ’t getuigen, en een snooder daad
Heeft geen verrader ooit alhier begaan. 177
SUFFOLK. Zwijg, driftkop Warwick!
WARWICK. Toonbeeld van hoogmoed, waarom zou ik zwijgen?
(Suffolk’s dienaars komen met Horner en Peter.)
SUFFOLK. Wijl hier een man is, van verraad beschuldigd;
God geev’, dat hertog York zich goed ontschuldig’!
YORK. Beschuldigt iemand York hier van verraad?
KONING HENDRIK. Wat meent gij, Suffolk? Wat zijn dit voor lieden?
SUFFOLK. Met uwer majesteits verlof, die man
Legt aan zijn meester hoogverraad te last.
Hij heeft gezegd: dat Richard, hertog York,
Naar recht de kroon van England dragen moest,
En dat uw heerschappij onwettig is.
KONING HENDRIK. Spreek, hebt gij dit gezegd, man?
HORNER. Met verlof van uwe majesteit, ik heb nooit zoo iets gezegd of
zelfs gedacht. God is mijn getuige, ’t is een valsche aanklacht van
dien schurk.
PETER (de vingers omhoogstekend). Bij deze tien knoken, edele heeren,
hij heeft het mij gezegd op een avond, dat wij op zijn vliering waren,
onder het poetsen van mylord van York zijn wapenrusting.
YORK. Gij dagdief, lage mestknecht, met uw hoofd
Zult gij mij die verraderpraatjes boeten!—
Ik smeek uw koninklijke majesteit,
Laat hem de strengheid van de wet gevoelen.
HORNER. Ach, mylord, verwijs mij naar de galg, als ik die woorden ooit
gesproken heb. Mijn beschuldiger is mijn gezel; en toen ik hem voor een
paar dagen tuchtigde voor zijn vergrijp, zwoer hij op zijn knieën, dat
hij het mij betaald zou zetten. Ik kan goede getuigen hiervoor
bijbrengen, en daarom smeek ik uw majesteit: stort een eerlijk man niet
in het verderf op de aanklacht van een booswicht.
KONING HENDRIK. Oom, wat moet naar het recht onze uitspraak zijn?
GLOSTER. Deze uitspraak, zoo ik rechten mag, mijn vorst:
Laat Somerset regent in Frankrijk zijn,
Wijl hieruit argwaan tegen York ontstaat;
En dezen zij een dag en plaats bepaald,
Dat zij zich meten in een tweegevecht,
Wijl hij de boosheid van zijn knecht kan staven.
Ziedaar de wet en hertog Humfried’s uitspraak.
SOMERSET. Recht need’rig dank ik uwe majesteit.