Aldaar. Een vertrek in het huis van den hertog van Gloster.
Gloster en de Hertogin komen op.
HERTOGIN. Wat drukt u, zooals ’t overrijpe koren
Het hoofd buigt onder Ceres’ rijken last?
Wat fronst des grooten hertogs Humfrieds voorhoofd,
Als kwelde hem der wereld lieflijkheid?
Wat hecht uw blik zich op den donk’ren grond
En staart op wat uw oog schijnt te verdrieten?
Wat ziet gij? koning Hendriks diadeem,
Omzet met alle heerlijkheid der wereld?
Zoo ja, staar door en kruip op uw gelaat,
Totdat de koningswrong uw hoofd omgeeft.
Strek uit uw hand en grijp het schitt’rend goud!—
Reikt zij te kort, de mijne maak’ haar langer;
En hebben wij te zaam hem opgeraapt,
Dan heffen wij te zaam het hoofd ten hemel,
En laten de oogen nooit zoo diep meer dalen,
Dat zij den grond een enklen blik zelfs gunnen.
GLOSTER. O Nora, lieve Nora, mint ge uw gade,
Zoo ban de worm der eerzucht uit uw geest!
Moog’ die gedachte, die mijn neef en koning,
Den vromen Hendrik eenig kwaad ooit wenscht,
Mijn stervenssnik in deze wereld zijn!—
Mijn zware droom van deze nacht ontstemt mij.
HERTOGIN. Wat droomde mijn gemaal? zeg ’t mij; ik loon het
Door ’t zoet verhaal van mijnen morgendroom.
GLOSTER. Mijn ambtsstaf hier werd, scheen ’t mij, middendoor 25
Gebroken; ’k weet niet zeker meer, door wien,
Doch ’t was, geloof ik, door den kardinaal;
En op de stukken werden toen de hoofden
Geplaatst van Edmond, hertog Somerset,
En William de la Pole, nu hertog Suffolk,
Dit was mijn droom; God weet, wat hij beduidt.
HERTOGIN. Wel, dit is anders niets dan een bewijs,
Dat, wie een rijsje breekt in Gloster’s lusthof,
Voor zulk een driestheid ’t hoofd verliezen zal.
Maar luister nu, mijn Humfried, beste hertog;
’k Zat in den dom van Westminster,—zoo droomde ik,—
En in den trotschen zetel, die ter kroning
Van koningen en koninginnen dient;
En Hendrik knielde, en Margaretha, vóór mij,
En plaatsten op mijn hoofd den diadeem.
GLOSTER. Neen, Leonora, ’k moet nu duchtig kijven;
Hoovaardig wezen! booze Eleonora!
Zijt gij thans niet de tweede vrouw in ’t rijk,
En des protectors welbeminde gade?
Smaakt gij niet alle wereldsche genoegens,
Ver boven al, wat gij ooit denken kondt?
En moet gij immer hoogverraad gaan smeden,
Om uwen man, uzelf ook, van den top
Der eer te stooten aan den voet der schande?
Ga weg van mij en ’k hoor’ zoo iets nooit meer!
HERTOGIN. Wat, mijn gemaal? zoo driftig op Lenore,
En dat, omdat zij u haar droom vertelt?
’k Houd in ’t vervolg mijn droomen voor mijzelf,
En zal gekijf vermijden.
GLOSTER. Neen, wees niet toornig; ’t is weer alles goed.
(Een Bode komt op.)
BODE. Mylord protector, zijne hoogheid wenscht,
Dat gij een rit naar Sint-Albaans gaat doen,
Waar ’t vorstlijk paar den valk wil laten vliegen.
GLOSTER. Ik kom.—Lenore, wilt gij medegaan?
HERTOGIN. Gewis, mijn beste heer; ik volg terstond.
(Gloster en de Bode af.)
Ik moet wel volgen; voorgaan kan ik niet;
Zoolang mijn man zoo laf en need’rig denkt.
Ware ik een man, een hertog, ’t naast in bloed,
Ik stiet die struikelblokken uit mijn weg,
En streefde op hun onthoofde nekken voorwaarts;
En schoon ik vrouw ben, wil ik toch mijn rol
Op vrouw Fortuins tooneel niet bloode spelen.—
Waar blijft gij toch, Sir John? Kom man, niet bang;
Wij zijn alleen, geen mensch dan gij en ik.
(John Hume komt op.)
HUME. Behoede Jezus uwe majesteit!
HERTOGIN. Wat? Majesteit! ik ben slechts een Genade.
HUME. Maar Gods genade en Hume’s raad verhoogen
Voorzeker uw genade in macht en eer. 73
HERTOGIN. Wat meldt gij, man? hebt gij de zaak besproken
Met Griet Jordaan, de sluwe tooverheks,
En Roger Bolingbroke, den duivelbanner?
Zijn zij bereid om mij van dienst te zijn?
HUME. Zij hebben dit beloofd: voor uwe hoogheid
Uit de onderaardsche diepte een geest te roepen,
Die op de vragen, die uw hoogheid hem
Gelieven zal te stellen, antwoord geeft.
HERTOGIN. Genoeg; ik zal de vragen nu bedenken.
Zoodra wij hier van Sint-Albaans terug zijn,
Zij alles naar behooren uitgevoerd.
Daar, Hume, neem dìt, en doe u eens te goed
Met uwe helpers in dit groote werk.
(De Hertogin af.)
HUME. Te goed doen met het goud der hertogin?
Nu goed, ik wil ’t wel. Maar wat nu, John Hume?
Steeds mondjedicht; geen ander woord, dan.... mum!
De gansche zaak vereischt het diepste zwijgen.
Vrouw Eleonora geeft mij goud er voor,
Dat ik de heks nog heden bij haar breng;
Al waar’ ze een duivel, goud komt nooit ten onpas.
Maar toch, mij vliegt nog goud van elders toe,—
Geheim is ’t,—van den rijken kardinaal,
En den nieuwbakken, grooten hertog Suffolk;
Zoo is het, want,—ronduit gezegd,—die twee,
Die vrouwe Eleonora’s eerzucht kennen,
Zij huurden mij, dat ik haar ondermijn’,
En haar die hekserij in ’t brein doe gonzen.
Geen sluwe schelm, zoo zegt men, neemt een helper;
Toch ben ik Suffolk’s en des priesters helper.
Hume, houd u in, want gij gaat schier zoo ver,
Dat gij die twee een paar aartsschelmen noemt.
Zoo staat het; en zoo lokt, vrees ik, in ’t eind
Hume’s schelmerij de hertogin in ’t net,
En hare schuld doet hertog Humfried vallen.
Het ga hoe ’t ga, ik beur toch goud van allen.
(Hume af.)