EERSTE TOONEEL.

Londen. Een staatsiezaal in het paleis.

Trompetgeschal, daarna hobo’s. Van de eene zijde komen op: Koning

Hendrik, de Hertog van Gloster, Salisbury, Warwick en Kardinaal

Beaufort; van de andere: Koningin Margaretha, binnengeleid door

Suffolk, gevolgd door York, Somerset, Buckingham en Anderen.

SUFFOLK. Gelijk mij van uw hooge majesteit

De opdracht gewerd bij mijn vertrek naar Frankrijk,

Om daar als plaatsbekleeder van uw hoogheid

Te huwen met prinsesse Margaretha,

Zoo, in de aloude rijksstad Tours, in ’t bijzijn

Der koningen van Frankrijk en Sicilië,

Der hertogen van Orleans, Calabrië,

Bretagne en Alençon, van twintig achtb’re

Bisschoppen, zeven graven, twaalf baronnen,

Volbracht ik uwen last en werd gehuwd;

En leg nu onderdanig, op mijn knie,

Ten overstaan van England en zijn pairs,

Mijn recht op de eed’le koningin in handen

Van uw genade, die het wezen zijt

Der groote schaduw, die ik heb gespeeld:

De rijkste gift, die ooit een markgraaf gaf,

De schoonste bruid, die ooit een vorst ontving.

KONING HENDRIK. Suffolk, rijs op!—Wees welkom, koninginne!

Ik weet geen teerder teeken van mijn liefde,

Dan dezen teed’ren kus.—Heer, die mij schiept,

Schep mij een hart, vervuld van dankbaarheid;

Want gij verleendet, in dit schoon gelaat,

Mijn ziel een wereld aardsche zegeningen,

Zoo liefdes eendracht haar en mij vereent!

KONINGIN MARGARETHA. Genadig koning, mijn verheven gade!

Die innige omgang, die reeds mijn gemoed,

Bij dag en nacht, al wakend en in droomen,

In ’t hofgewoel of bij mijn bedesnoer,

Met u, mijn allerliefsten vorst, gehad heeft,

Geeft mij den moed, mijn koning te begroeten

Met minder schoone taal, zooals mìjn geest

Mij leert en ’s harten overvreugd mij ingeeft.

KONING HENDRIK. Haar aanblik reeds verrukte, doch haar spreken,

Haar lieve taal in wijsheids achtb’ren dos

Voert van bewondring mij tot vreugd, die weent;

Zóó is de volheid van mijn juichend hart.—

Lords, groet met éénen blijden roep mijn liefde!

ALLEN (knielend). Lang leve Margaretha, Englands vreugd!

(Trompetgeschal).

KONINGIN MARGARETHA. U allen onzen dank!

SUFFOLK. Mylord protector, zoo het u behaagt,

Ziehier de artik’len van het vreêverdrag,

Dat onze vorst en Frankrijks koning Karel!

Voor achttien maanden hebben aangegaan. 42

GLOSTER (leest). „Ten eerste zijn overeengekomen de koning van

Frankrijk, Karel en William de la Pole, markgraaf van Suffolk, afgezant

van Hendrik, koning van Engeland, dat de bovengenoemde Hendrik huwen

zal met de princesse Margaretha, dochter van Reignier, koning van

Napels, Sicilië en Jeruzalem, en haar tot koningin van Engeland zal

kronen vóór den dertigsten Mei aanstaande.—Ten anderen, dat het

hertogdom Anjou en het graafschap Maine ontruimd zullen worden en

overgegeven aan den koning haren vader,”—

(Hij laat het papier vallen).

KONING HENDRIK. Wat is er, oom?

GLOSTER. Vergeef mij, hooge vorst,

Een plotslinge ongesteldheid grijpt mij aan;

Mijn oog is dof; ik kan niet verder lezen.

KONING HENDRIK. Oom Winchester, leest gij dan, bid ik, voort.

KARDINAAL (leest). „Ten anderen, dat het hertogdom Anjou en het

graafschap Maine ontruimd zullen worden en overgegeven aan den koning

haren vader, en zij naar Engeland overgevoerd op eigen kosten van den

koning van Engeland en zonder eenigen bruidsschat aan te brengen.”

KONING HENDRIK. ’t Behaagt ons wel.—Lord markgraaf, buig de knie:

Wij maken u tot eersten hertog Suffolk,

En gorden u het zwaard aan.—Neef van York,

We ontheffen uw genade van ’t regentschap

Van Frankrijk, tot de tijd van achttien maanden

Verstreken is.—Dank, oom van Winchester,

York, Gloster, Buckingham en Somerset,

En u ook, graaf van Salisbury, graaf Warwick,

Wij danken u voor uwen heuschen groet

Bij de aankomst van mijn waarde koningin.

Komt, maken wij ons op en zorgen spoedig,

Dat nu haar kroning waardig zij gevierd.

(De Koning, de Koningin en Suffolk af.)

GLOSTER. O Englands wakk’re pairs, des rijks pilaren,

Laat hertog Humfried u zijn leed hier klagen,—

Uw leed, het algemeene leed des lands!

Wat! heeft mijn broeder Hendrik zijne jeugd,

Zijn moed en geld en volk aan krijg gewijd;

Had hij zoo vaak het open veld ter woon

In winterkoude en dorre zomerhitte,

Om Frankrijk, om zijn erfland te veroov’ren;

En heeft mijns broeders Bedford brein gesloofd

Om Hendriks winst door staatkunst vast te houden;

Ontvingt gij, Somerset, gij, Buckingham,

Zeeghafte Warwick, Salisbury en York,

In Normandië en Frankrijk diepe wonden;

En heeft mijn oom Beaufort, en heb ikzelf,

Met heel den wijzen raad van ’t koninkrijk,

Zoo lang gepeinsd, in ’t raadsvertrek gezeten,

Bij dag en nacht, nu dit, dan dat weer opp’rend,

Om Frankrijk in ontzag en tucht te houden;

En werd zijn hoogheid, trots des vijands woelen,

In prille jeugd reeds in Parijs gekroond;

En moet die arbeid en die roem vergaan? 95

Moet Hendriks krijgswinst, Bedford’s waakzaamheid,

Uw oorlogsdaân, al ons beleid nu sterven?

O, pairs van England, smaadvol is die zoen,

Die echt verderflijk; uwen roem herroept hij!

Wischt uwen naam uit de kronieken, schrapt

De letters weg van uwen lof, verminkt

Elk monument van Frankrijks onderwerping,

Delgt alles uit, als ware ’t nooit geweest!

KARDINAAL. Wat, neef, wat wil dit luid, hartstochtelijk spreken,

Die rede met zoo breede omslachtigheid?

Frankrijk blijft òns nog, en wij houden ’t vast.

GLOSTER. Ja, oom, wij houden ’t vast, indien wij kunnen,

Maar ’t houden is onmoog’lijk. Suffolk heeft,—

Die nieuwe hertog, die het braadspit draait,—

De leenen Maine en Anjou weggeschonken

Aan de’ armen vorst Reignier, wiens weidsche titel

Volstrekt niet met zijn maag’ren buidel strookt.

SALISBURY. Nu, bij den dood van die voor allen stierf,

Die landen zijn de poort van Normandië.—

Waarom weent Warwick daar, mijn dapp’re zoon?

WARWICK. Van smart, dat zij onredbaar zijn verloren;

Want ware er hoop, op nieuw haar te veroov’ren,

Mijn zwaard vergoot warm bloed, mijn oog geen traan.

Anjou en Maine! ikzelf, ik won die beide;

Met dezen mijnen arm nam ik die in;

En steden, die ik voor ons won met wonden,

Die geeft men nu terug met vredeswoorden?

Mort Dieu!

YORK. Die Suffolk! ’s Hemels sulfervuur dien hertog,

Die de eere van dit heldeneiland schendt!

Frankrijk mocht eer mijn hart in flarden rijten,

Dan ik in dezen zoen getreden waar’!

Nooit las ik anders, dan dat Englands vorsten

Veel schats en gouds erlangden met hun vrouwen;

En Koning Hendrik geeft van ’t zijne weg,

En voor een gade, die geen voordeel aanbrengt!

GLOSTER. Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk

Zoo groot bedrag, een vijftiende, durft vragen

Voor ’t halen en de kosten van den tocht!

Zij mocht in Frankrijk blijven en verhongren,

Aleer—

KARDINAAL. Nu, hertog Gloster, wordt gij al te heftig.

Het was de wil van onzen heer en vorst.

GLOSTER. Mylord van Winchester, ik ken u wel;

Niet mijn gezegden zijn ’t, die u mishagen,

’t Is mijn aanwezigheid, die u verdriet. 141

Wrok baant zich lucht: hoogmoedige prelaat,

’k Lees in uw blik uw woede. Indien ik toef,

Zoo vangt ons oud schermutslen weder aan.

Vaartwel, mylords, en als ik niet meer ben,

Zoo zegt, dat ik ’t verlies van Frankrijk spelde.

(Gloster af.)

KARDINAAL. Daar gaat, van woede blakend, de protector.

’t Is u bekend, dat hij mijn vijand is,

Maar, meer dan dit, hij is u aller vijand,

En, vrees ik, ook geen groote vriend des konings.

Bedenkt, mylords, dat hij door zijn geboorte

Het naaste recht bezit op Englands kroon;

Bracht Hendriks echt een keizerrijk hem aan,

En van heel ’t westen ’t rijke koningschap,

Voor Gloster bleef er reden om te morren.

Lords, zorgt er voor, dat niet zijn gladde taal

Uw hart beheks’, weest wijs en op uw hoede!

Al is ’t, dat hem ’t gemeene volk begunstigt,

En hem den goeden hertog Humfried noemt,

En in de handen klapt en luid hem naschreeuwt:

„Jezus! bescherm zijn koninklijke hoogheid!”

En: „Hoede God den goeden hertog Humfried!”

Toch vrees ik, lords, met al zijn fraaien schijn

Blijkt hij nog een gevaarlijke protector.

BUCKINGHAM. Waartoe behoeft de koning een protector,

Nu hij den leeftijd heeft om zelf te heerschen?—

Mijn neef van Somerset, vereent u met mij,

En allen samen, met den hertog Suffolk;

Wij lichten dra dien Humfried uit den zaâl.

KARDINAAL. Die wichtige onderneming duldt geen dralen;

Ik wil terstond naar hertog Suffolk gaan.

(De Kardinaal af.)

SOMERSET. Mijn neef van Buckingham, hoe grievend ons

De trots en hooge rang van Humfried kwets’,

Laat ons dien stouten kardinaal bewaken.

Zijn overmoed is minder nog te dragen,

Dan die van al de prinsen van het rijk;

Als Gloster valt, zal hij protector worden.

BUCKINGHAM. Neen, Somerset, dit wordt of gij of ik,

Trots hertog Humfried en den kardinaal.

(Buckingham en Somerset af.)

SALISBURY. De hoogmoed ging vooruit en de eerzucht volgt.

Terwijl zìj werken voor hun eigen grootheid,

Betaamt het òns voor Englands heil te waken.

Nooit zag ik, dat zich hertog Humfried anders

Dan als een waardig edelman gedroeg. 184

Maar vaak zag ik den stouten kardinaal,

Meer op soldatenwijs dan als een priester,

Zoo driest en trotsch, als waar’ hij aller heer,

Ruw vloeken, zich gedragen op een wijs,

Een heerscher over land en volk onwaardig.—

Warwick, mijn zoon, gij troost mijns ouderdoms,

Uw krijgsroem, eenvoud, heel uw wijs van leven,

Verwierf u groote gunst bij al het volk,

’t Naast volgend op den goeden hertog Humfried,

En uwe daden, broeder York, in Ierland,

Waar gij het volk tot orde hebt gebracht,

Uw laatste tochten in het hart van Frankrijk,

Toen gij regent voor onzen koning waart,

Verwierven u des volks ontzag en liefde.—

Slaan wij de handen saam tot Englands welzijn,

En breid’len en verstikken wij den trots

Van Suffolk en den kardinaal, en de eerzucht,

Die Somerset en Buckingham bezielt;

En laat ons Gloster steunen in zijn doen,

Zoolang hij ’t welzijn van zijn land bedoelt.

WARWICK. God helpe Warwick zoo, gelijk hij waarlijk

Zijn land en ’t welzijn van zijn volk bemint.

YORK (ter zijde). Dit zegt ook York; hij heeft den meesten grond.

SALISBURY (tot Warwick). Kom, kiezen we elk ons werk, het uwe en ’t

mijne!

WARWICK. Het mijne? Maine, vader, is verloren;

Dat Maine, ’t mijne door mijn zwaard, en dat

Ik tot mijn laatsten snik verdedigd hadde!

Dat Maine, Frankrijk achte ’t nu het zijne,

Maar, val ik niet, dan is het dra weer ’t mijne.

(Salisbury en Warwick af.)

YORK. Anjou en Maine zijn ontruimd, aan Frankrijk;

Parijs ging over; Normandiës behoud

Hangt aan een haar, nu die verloren zijn.

Suffolk heeft de eischen toegestaan, de pairs

Bewilligden, en Hendrik gaf volgaarne

Twee hertogdommen voor een hertogskind.

Kan ik hen laken? Wat is dit voor hen?

Zij geven ’t uwe weg, het hunne niet.

Zeeroovers kunnen spotgoedkoop iets geven,

Zich vrienden winnen, deernen licht iets schenken,

Als heeren feestlijk leven, tot ze er dóór zijn;

Terwijl de hulplooze eig’naar van de goed’ren

Er luid om weent, en bang de handen wringt,

’t Hoofd droevig schudt, van verre staat en rilt,

Al ’t zijne ziet verdeelen en verkwisten,

Maar ’t zelf niet aan mag raken en versmacht;

Zoo zit nu York, knerst, bijt zich in de tong,

Terwijl zijn eigen land verschacherd wordt.

Mij dunkt, de rijken England, Frankrijk, Ierland,

Zijn juist hetzelfde voor mijn vleesch en bloed,

Als eens Althæa’s onheilzwanger brandhout

Voor ’t harte van den prins van Calydon.

Anjou en Maine aan Frankrijk afgestaan! 236

Boos nieuws voor mij, die hoop op Frankrijk voedde,

Zoo goed als nog op Englands vruchtb’ren grond.

Eens komt de dag, dat York het zijne vordert;

Daarom sluit ik mij bij de Nevils aan,

En geef den trotschen Humfried goede woorden,

En eisch dan, als de tijd mij dient, de kroon;

Want die is ’t gouden wit, waar ik op doel.

Geen Lancaster zal mij mijn recht onthouden,

Of in de kindervuist den scepter klemmen,

Of met den diadeem zijn hoofd versieren,

Dat om zijn feem’len voor de kroon niet deugt.

Dus York, zit stille, tot de tijd u wenkt;

Wees, terwijl andren slapen, wakker, waakzaam,

En sla des staats geheimen immer gâ,

Tot Hendrik, van zijn liefdevreugde zwijmlend

Met Englands duurgekochte koningin,

En Humfried met de pairs in strijd geraken;

Dan hef ik mijn melkwitte roos omhoog,

Dat zij met zoeten geur de lucht vervulle,

En laat York’s wapen stralen op mijn standaard

Ter worstling met het huis van Lancaster;

En ’k ruk de kroon den boekenzot van ’t hoofd,

Die England van zijn luister heeft beroofd!

(York af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 51 / 165 题