VIJFDE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in het paleis.

(Koning Hendrik komt op, in gesprek met Suffolk. Gloster en Exeter

volgen.)

KONING HENDRIK. ’k Sta bij uw wonderbare en een’ge schildring

Der schoone Margaretha, graaf, verstomd;

Haar deugden, met bekoorlijkheid getooid,

Verwekken mij der liefde drang in ’t hart

En evenals de macht van woeste vlagen

Een reuzenkiel zelfs voortdrijft tegen stroom,

Zoo drijft ook de adem van haar roem mij voort,

Zoodat ik schipbreuk lijden moet, of landen

Waar ik mij in haar min verheugen mag.

SUFFOLK. Ach, beste vorst, mijn vluchtig, kort bericht

Is ’t voorbericht slechts van een lof, haar waard;

Al de volkomenheid der lieve jonkvrouw,—

Hadde ik de macht der taal om ’t uit te spreken—

Een boek waar ’t, vol verleidelijke regels,

In staat, den stompsten geest nog te verrukken.

En, meer nog, ja, hoe godd’lijk zij ook zijn moog’,

Hoe rijk aan de’ eêlsten schat van lieflijkheên,

Toch is zij met gelijken zieledeemoed

Geheel bereid om u ten dienst te zijn,

Ik meen, ten dienst, om met de reinste kuischheid

U als gemaal te minnen, te vereeren. 21

KONING HENDRIK. Op andre wijs zou Hendrik niets verlangen.

Stem daarom, lord protector, toe, en zeg:

„Zij Margaretha Englands koningin!”

GLOSTER. Door toe te stemmen zoude ik zonde vleien.

Gij weet, mijn vorst, uw hoogheid is alreeds

Verloofd met eene jonkvrouw, hoog in aanzien,

Hoe kunnen we ons aan het verdrag onttrekken,

En niet onze eer ontwijden door een blaam?

SUFFOLK. Als vorsten doen met onrechtmatige eeden;

Of zoo als een, die toezeide op een steekspel

Zijn kracht te staven, maar het krijt verlaat,

Omdat zijn tegenstander hem te min is.

Eens armen graven dochter is te min;

Haar op te geven is daarom geen oneer.

GLOSTER. En wat is Margaretha meer dan zij?

Haar vader is niet beter dan een graaf,

Al moog’ hij stoffen op zijn hooge titels.

SUFFOLK. Ja, beste heer, haar vader is een koning,

Is vorst van Napels en Jeruzalem,

En bovendien in Frankrijk zoo geacht,

Dat zijne vriendschap ons den vreê verzekert,

De trouw der Franschen aan ons kluistren zal.

GLOSTER. Dit doet de graaf van Armagnac niet minder,

Want hij is nauw verwant aan den dauphijn.

EXETER. Diens rijkdom waarborgt ook een goede bruidsgift,

Terwijl Reignier eer nemen zal dan geven.

SUFFOLK. Een bruidsgift, lords! Onteert niet zoo uw’ koning,

Dat hij zoo laag en arm en kaal zou zijn,

Zijn keus zou doen om ’t geld en niet om liefde.

Ziet, Hendrik kan zijn koningin verrijken;

Hij zoek’ geen vrouw om rijk door haar te worden.

O, lage boeren dingen zoo om vrouwen,

Als marktlui om een rund, een schaap, een paard.

Het huwlijk is een zaak, veel te gewichtig,

Om die door zaakwaarnemers af te doen;

En niet, wie gij, neen, wie de koning wenscht,

Zij de genoote van zijn huwlijksbed.

En dus, wijl hij, mylords, ’t meest haar bemint,

Zoo bindt ons dit van alle reed’nen ’t meest,

Om haar in onze meening uit te lezen.

Wat is gedwongen echt, wat, dan een hel,

Een gansche leeftijd vol van twist en strijd?

Terwijl het tegendeel steeds zegen brengt

En van des hemels vrede ’t voorbeeld is. 65

Wie huwen wij met Hendrik, met een koning,

Dan Margaretha, dochter van een koning?

Niet slechts geboorte, ook schoonheid zonder weerga,

Maakt haar geschikt voor niemand dan een koning;

Haar wakk’re geest en onbezweken moed,—

Veel grooter dan men meest bij vrouwen vindt,—

Is ons een borg voor kroost, een koning waardig;

Want Hendrik, die de zoon is eens veroov’raars,

Verwekt, mag men vermoeden, meer veroov’raars,

Wanneer hij met een vrouw, zoo vastberaden

Als Margaretha zich verbindt in liefde.

Zoo geeft dus toe, mylords, stemt met mij in:

Slechts Margaretha zij hier koningin.

KONING HENDRIK. Is ’t door de toovermacht van uw bericht,

Mijn eed’le lord van Suffolk, of veeleer

Wijl nooit mijn teed’re jeugd nog werd beroerd

Door een’gen hartstocht van onstuim’ge liefde,—

Ik weet het niet; maar zeker weet ik dit:

Ik voel in mijne borst zoo scherpe tweedracht,

Zulk heftig krijgsrumoer van hoop en vrees,

Dat ik door ’t woelen van mijn denken krank ben.

Neem dus een schip, mylord, en ijl naar Frankrijk;

Sluit elk verdrag en zorg slechts, dit te erlangen:

Dat jonkvrouw Margaretha dra de zee

Naar England oversteke en zich laat kronen

Als Hendriks trouwe gade en koningin.

Voor wat gij uitgeeft en ’t bedrag der zending

Kunt gij een tiende heffen van ons volk.

Ga, zeg ik, want totdat gij wederkeert, 94

Blijf ik omstrikt van angst en duizend zorgen.—

En gij, goede oom, verban, wat u mocht hindren;

Indien ge uw oordeel velt naar wat gij waart,

Niet naar uw zijn, zoo weet ik, dan ontschuldigt

Gij ’t plotsling, snel voltrekken van mijn wil.

En nu, geleid mij, waar ik ver van menschen

Moog’ peinzen, mijm’ren over angst en leed.

(Koning Hendrik af.)

GLOSTER. Ja, leed, van de’ aanvang, vrees ik, tot het einde.

(Gloster en Exeter af.)

SUFFOLK. Gewonnen heeft dus Suffolk, en zoo gaat hij

Gelijk de jonge Paris eens naar Sparta;

Hij hoopt in liefde ’tzelfde heil te vinden,

Maar met een beter slot dan die Trojaan.—

Beheersche Margaretha nu den koning;

Ik echter haar, den koning en het rijk!

(Suffolk af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 45 / 165 题