AANTEEKENINGEN.

Onder de historiestukken van Shakespeare zijn ongetwijfeld de drie

deelen van Koning Hendrik den Zesden, en Koning Richard den Derden,

welke den ondergang van de beide koningshuizen van Lancaster en York

schilderen, de oudste; zij behooren alle tot de vroegste werken van den

grooten dichter en verraden dit ten duidelijkste in de behandeling van

het onderwerp, in hun zin- en versbouw, zoodat de lezer, die, zooals

gewoonlijk het geval zal zijn, de historiestukken leert kennen in de

volgorde der vorsten, teleurgesteld wordt, wanneer hij na Richard II,

Hendrik IV en V, de drie deelen van Koning Hendrik VI ter hand neemt.

Zelfs Richard III, welk stuk zich onmiddellijk aan Hendrik VI aansluit,

draagt, hoe grootsch het ook wezen moge, nog den stempel van de jeugd

des dichters. Shakespeare zelf heeft in den epiloog van zijn Koning

Hendrik V (zie boven blz. 605), medegedeeld, dat Hendrik VI aan

laatstgenoemd stuk geruimen tijd was voorafgegaan.

Zijn alzoo,—wat niet te loochenen valt,—de verschillende deelen van K.

Hendrik VI onder de eerstelingen des dichters te rangschikken, dan is

het verschil tusschen deze werken en die van zijn lateren tijd niet

alleen gemakkelijk te verklaren, maar hoogst natuurlijk. Even

natuurlijk is het, dat zij overeenkomst vertoonen met de werken zijner

voorgangers. Want men bedenke, dat reeds vóór Shakespeare het Engelsch

tooneel bloeide, dat in 1562 reeds het eerste treurspel, Gorboduc, van

Sackville en Norton, gespeeld werd, en dat op dezen een reeks van

tooneeldichters gevolgd is, waaronder Nash, Peele, Kyd, Green en

Marlowe, vooral de laatste, te noemen zijn. Geen wonder, dat de

jeugdige Shakespeare aanvankelijk in hun voetstappen trad, dat zijn

Titus Andronicus geheel in hun manier geschreven was, en dat hij ook in

zijn Hendrik VI, schoon deze stukken zeker van iets latere dagteekening

zijn, herhaaldelijk aan zijn voorgangers doet denken. Slechts hierover

kan men verbaasd staan, dat hij hen zoo weinig heeft nagevolgd en zoo

spoedig geheel en al zijn eigen weg is ingeslagen.

Niettegenstaande de verschillen, tusschen deze stukken van Shakespeare

en die van latere dagteekening, alleszins verklaarbaar en natuurlijk

zijn, werd reeds vroeg twijfel geopperd, of zij inderdaad van

Shakespeare’s hand zijn; vooral werd dit van het eerste deel in twijfel

getrokken. En het bleef niet bij het uitspreken van een twijfel, maar

de stelling, dat zij niet, of ten minste niet geheel, van hem

herkomstig zijn, werd naar aanleiding van uitvoerige en voor een deel

zelfs kleingeestige onderzoekingen, waarbij de eene onderstelling op de

andere gestapeld werd, door verscheidenen als bewezen beschouwd. In het

laatst der vorige eeuw kwam Malone tot de slotsom, dat Shakespeare het

eerste deel in het geheel niet geschreven heeft en het tweede en derde

deel slechts naar een ouder stuk bewerkt. De bewijzen van Malone zijn

later, met name door Knight, zoo voldingend wederlegd, en in hun

nietigheid ten toon gesteld, dat het niet noodig is, dit hier nogmaals

te doen; men kan hierover Knight’s grootere uitgaven van onzen dichter,

of de bekende uitgave van Delius, of Gildemeister’s inleiding voor zijn

vertaling van Hendrik VI raadplegen. Dat deze stukken inderdaad door

Shakespeare in hun geheel ontworpen en geschreven zijn, is, zooals hier

in het kort zal worden aangetoond, uit hun geheelen aanleg af te

leiden. Dat zij echt zijn, behoeft te minder betwijfeld te worden,

omdat zij door de twee vrienden des dichters, John Heminge en Henry

Condell, in de eerste gezamenlijke uitgave van Shakespeare’s werken, in

den beroemden folio van 1623, zeven jaren na zijn dood uitgegeven, zijn

opgenomen.

Geen der drie deelen van K. Hendrik VI, en ook K. Richard III niet,

staat op zichzelf, alle te zamen maken één geheel uit. In elk deel van

Hendrik VI komen tooneelen voor, die geen ander doel hebben dan voor te

bereiden op gebeurtenissen of toestanden, die in het volgend stuk ten

tooneele worden gevoerd. Van dien aard zijn in het eerste stuk: de

twist tusschen Gloster en den bisschop van Winchester, het gesprek van

Mortimer met Richard Plantagenet, het plukken der roode en witte rozen,

het aanzoek van Suffolk om Margaretha, dat zeker geen slot zou kunnen

zijn van een zelfstandig stuk. En niet alleen zijn in het eerste deel

de draden gewerkt voor het tweede, maar het tweede weeft met deze

draden onmiddellijk voort; er kan geen sprake van zijn, het tweede van

het eerste los te maken. Men merke hierbij nog op, dat de dichter van

het eerste deel in het belang van zijn drama de volgorde der

gebeurtenissen gewijzigd heeft,—hierover later meer,—en dat deze

wijzigingen alle in het tweede deel geëerbiedigd en in acht genomen

worden. Zoo sterft in het eerste deel de held Talbot vóór de maagd van

Orleans, hoewel zijn dood werkelijk eerst twee-en-twintig jaren later

plaats greep, en de dichter heeft het sterven van Talbot en zijn zoon

hoogst indrukwekkend voorgesteld; in het tweede stuk is en blijft

Talbot dood; ware dit stuk onafhankelijk van het eerste ontworpen, dan

had de dichter ongetwijfeld daar Talbot’s dood gebezigd als een

krachtige en wettige reden van ontevredenheid over de leiding van den

oorlog.

Toch heeft Malone,—verscheidenen zijn hem gevolgd,—de meening

verdedigd, dat het eerste deel niet van Shakespeare is en dat met het

tweede een zelfstandig werk begint. Deze meening moet hier met een

woord worden toegelicht. Het eerste deel is het eerst in den folio van

1623 verschenen; het tweede daarentegen was reeds in 1594, enkele jaren

nadat het gespeeld was, door zekeren Thomas Millington in het licht

gegeven, en wel onder den titel: The first part of the contention

betwixt the two famous houses of Yorke and Lancaster, with the death of

the good duke Humphrey: And the banishment and death of the Duke of

Suffolke, and the Tragicall end of the proud Cardinall of Winchester,

with the notable rebellion of Jack Cade: And the Duke of Yorke’s first

claim unto the Crowne. London Printed by Thomas Creed, for Thomas

Millington, and are to be sold at his shop under Saint Peters Church in

Cornwall (d.i. Cornhill) 1594. Op dit quarto-boek volgde weldra een

octavo-boek, dat het derde deel van Koning Hendrik VI bevatte, onder

den titel: The true Tragedie of Richard Duke of York, and the death of

the good King Henrie the Sixt, with the whole contention betweene the

two Houses Lancaster and Yorke, as it was sundrie times acted by the

Right Honourable the Earle of Pembrooke his seruants. Printed at London

by P. S. for Thomas Millington, and are to be sold at his shoppe under

Saint Peter’s Church in Cornwal (d.i. Cornhill) 1595.—Beide stukken

werden door Millington in 1600 nog eens, ditmaal beide in quarto,

uitgegeven.—In 1619 werden beide stukken samen in een quarto band

uitgegeven door Thomas Pavier, aan wien Millington zijn recht had

overgedragen, onder den titel: The Whole Contention Betweene the Two

famous Houses, Lancaster and Yorke, With the tragicall Ends of the good

Duke Humfrey, Richard Duke of Yorke, and King Henrie the sixt. Divided

into two Parts: And newly corrected and enlarged. Written by William

Shakespeare, Gent. Printed at London for T. P.—Hier wordt dus voor het

eerst Shakespeare’s naam op den titel vermeld; de verbetering en

vermeerdering was een grove leugen.—Als men nu den tekst dezer

afzonderlijke uitgave nagaat,—deze is gemakkelijk toegankelijk, want

Delius heeft dien met al zijn fouten in zijn bekende

Shakespeare-uitgave afgedrukt in de inleidingen tot het tweede en het

derde deel van den echten Koning Hendrik VI,—dan ziet men, hoe

ongelooflijk de echte stukken er in verminkt en bedorven zijn. Wel is

de handeling dezelfde en de gang der samenspraken eveneens, maar soms

is van een lange reden slechts een schets gegeven, verzen zijn vaak als

proza, proza is dikwijls als vers gedrukt, geheele brokken zijn

weggelaten, gezegden staan vaak op een verkeerde plaats in de

samenspraak, hier en daar vindt men geheele gedeelten, die met den

tekst der folio-uitgave overeenkomen, maar midden daarin onzin of

geheel bedorven regels, en soms is de volgorde der tooneelen geheel

verkeerd. Met dat al zijn treffende vergelijkingen, berijmde regels,

dus gedeelten, die gemakkelijk in het geheugen blijven, vaak goed

weergegeven. Kortom de tekst bevat gedeelten, die geen ander dichter

uit dien tijd dan Shakespeare zoo kon schrijven; andere, die ook de

grootste pruldichter niet zoo had kunnen ontwerpen. De toestand van den

tekst kan doen vermoeden, dat hij grootendeels, zoo niet geheel, op het

gehoor is neergeschreven; neemt men aan, dat schrijvers in den

schouwburg aan het werk zijn geweest, die het stuk, zoo goed en kwaad

het ging, op papier brachten en dat daarna de een of andere handlanger

de aanteekeningen heeft samengeflanst, waarbij dan nog treffende

gezegden of gerijmde regels, die onthouden waren, er ingevoegd kunnen

zijn, maar dan niet altijd op de juiste plaats. Het is mogelijk, dat de

samenflanser de rollen van enkele spelers tot zijn beschikking heeft

gehad, maar de ellendige toestand van den tekst maakt zelfs dit niet

waarschijnlijk. Zulk een schaamtelooze wijze van uitgeven was in dien

tijd niets ongehoords en Millington heeft er zich meer aan schuldig

gemaakt. Waarschijnlijk kon hij op deze wijze den tekst van het eerste

deel van Hendrik VI niet meester worden of zag hij in de uitgave geen

voordeel, zoodat nu het tweede en derde deel van K. Hendrik VI tot het

eerste en tweede deel werd van den strijd tusschen de huizen van

Lancaster en York. Misschien was het om moeilijkheid en

onaangenaamheden te ontgaan, dat de naam van Shakespeare op den titel

wegbleef; trouwens iedereen wist toch wel, dat het dezelfde stukken

waren, die met toejuiching gegeven werden. Ook bij de eerste

onrechtmatige uitgaven van andere stukken is Sh.’s naam weggelaten. [1]

Of het stuk, behalve door het gezelschap, waartoe Shakespeare als

tooneelspeler behoorde, ook door dat van den graaf van Pembroke gegeven

werd, is onbekend; het is mogelijk, dat de vermelding van dit

gezelschap, die niet op den titel van Millington’s eerste deel, alleen

op dien van het tweede voorkomt, met opzet is geschied; het is ook

mogelijk, dat zij op een vergissing steunt.—Hoe dit laatste ook wezen

moge, zeker is het, wanneer men den tekst van de door Millington

uitgegeven stukken nagaat, dat hij op de genoemde onrechtmatige wijze

moet verkregen zijn, dat geen dichter dien ooit aldus had kunnen

schrijven, en dat hij nooit een eerst onvolkomen ontwerp, dat later

beter uitgewerkt is, kan geweest zijn. Verder is het ook duidelijk, dat

het ontbreken van een afzonderlijke uitgave van het Eerste Deel van K.

Hendrik VI zelfs geen zweem van grond oplevert, om laatstgenoemd stuk

niet aan Sh. toe te kennen.

Beschouwen wij thans nog eens het geheel, waarvan wij reeds opmerkten,

dat de deelen volkomen aan elkander sluiten en het eene het andere

voorbereidt, dan vinden wij, dat dit den jeugdigen Shakespeare volkomen

waardig is. Met hooge kunst zijn de vijftig jaren van Hendriks

koningschap,—regeering kan men het eigenlijk niet noemen,—in drie

stukken saamgedrongen. En let men op de karakters der hoofdpersonen,

dan vindt men in hooge mate de eenheid bewaard. Koning Hendrik,—een

kind van negen maanden kon den dichter niet dienen,—komt in het eerste

deel voor als knaap, in het tweede als man, in het derde als grijsaard,

zoo niet in jaren, dan toch in levenszatheid. Maar het is steeds

dezelfde persoonlijkheid; en vraagt men, of eenig dichter, behalve

Shakespeare, dien man zonder eenige wilskracht, dien speelbal van

anderen, ooit, zonder zijn zwakheid te vergoêlijken, zoo fijn had

kunnen schilderen en hem zulk een roerende goedheid en zooveel

majesteit had kunnen verleenen, dan moet het antwoord ontkennend

luiden. Evenzoo blijft Margaretha van Anjou in al de vier stukken

zichzelf gelijk; Richard van Gloster, de latere Richard III, is van het

eerste oogenblik, dat hij optreedt, één karakter; kortom, de drie

deelen van Koning Hendrik VI en Koning Richard III zijn ontegenzeglijk

de schepping van één dichter.—En dat die dichter niemand anders dan

Shakespeare is, blijkt uit zijn gave om één geest, één stemming in al

deze stukken te doen heerschen, uit zijn weergâlooze onpartijdigheid,

die allen hun zaak met alle welsprekendheid doet bepleiten en alleen

tegenover de Franschen zich verloochent, uit de dichterlijke gaven,

waardoor hij al zijn voorgangers en tijdgenooten overtreft.

Dat ook het eerste deel van K. Hendrik VI bij de toeschouwers hoog

stond aangeschreven, is ons door een uiting van een gelijktijdig

schrijver bekend. Thomas Nashe wijst op dit stuk in een geschrift:

„Pierce Pennilesse his Supplication to the Devil”; hij verklaart het

tooneel voor een nuttige inrichting, vooreerst vanwege de onderwerpen

der spelen, daar die meest uit de Engelsche kronieken geput en de

helden van weleer uit het graf der vergetelheid weer in het leven

geroepen worden. „Hoe,” zegt hij, „zou de dappere Talbot, de schrik der

Franschen, zich verheugen, als hij wist, dat hij, na tweehonderd jaren

in het graf te hebben gelegen, nog eens op het tooneel triumfeert en

dat zijn gebeente nog onlangs besproeid is met de tranen, en

verscheidene malen, van wel tienduizend toeschouwers, die in den

treurspeler, door wien hij wordt voorgesteld, hem op nieuw meenen te

zien bloeden!”

Hoezeer Shakespeare zijn voorgangers toen reeds overvleugelde, blijkt

nog uit een ander getuigenis, waardoor tevens bewezen wordt, dat ook

het derde deel van K. Hendrik VI reeds in 1592 gegeven werd en grooten

bijval inoogstte. In genoemd jaar stierf, aan ellende ter prooi, de

dichter Robert Greene. In zijn nalatenschap vond men een werkje „A

Groat’s worth of Wit bought with a million of Repentance”, dat Henry

Chettle liet drukken. Daarin had de ongelukkige man, wiens

tooneelspelen de gunst van het publiek reeds bij zijn leven verloren,

zijn wrok gelucht over de nieuwere dichters, die, naar hij meende

geheel onverdiend, door de tooneelspelers boven de oudere dichters

werden verkozen. Hij bezweert daarom zijn vrienden, met name Marlowe,

Lodge en Peele, aan de tooneelspelers, die met der dichters mond

spreken, den rug toe te keeren. „Vertrouwt hen niet”, gaat hij voort,

„want daar is een kraai, een opkomeling, gesierd met onze vederen, die

met zijn „Tijgerhart, in een tooneelspelers huid gehuld” gelooft, dat

hij even goed in staat is, een rijmloos vers uit te bulderen, als de

beste van u; en omdat hij een volkomen Johannes fac totum is, is hij in

zijn eigen meening de eenige tooneelschokker (Shake-scene) in den

lande. O dat ik uw uitstekende vernuften bewegen kon een meer loon

brengenden weg in te slaan! En laat die apen uw vroegere

voortreffelijkheid nabootsen, en maak hen nimmer weer met uw bewonderde

dichterlijke vonden bekend!”

Dat met den naam Shake-scene (tooneelschokker) Shakespeare bedoeld is,

spreekt vanzelf. En bovendien „O tijgerhart in vrouwenhuid gehuld!”

roept in het derde deel van „K. Hendrik VI” (I. 4. 137.) de Hertog van

York aan de koningin Margaretha toe. De beteekenis van het verwijt is

duidelijk geen andere, dan deze: „Een nieuweling is opgestaan, een man,

niet zooals wij van geleerde opleiding, die Cambridge noch Oxford

bezocht heeft, een man, die ons, erkende dichters, nabootst en met onze

schoonheden zijn verzen opsiert.” Dat Shakespeare, in zijn

eerstelingen, in het voetspoor zijner voorgangers trad, dat hij,

evenals zij, met geleerde aanhalingen, met mythologische toespelingen

zijn werken tooide, was niet zoo geheel onjuist, en zijn „Koning

Hendrik VI” kan het getuigen; maar dit zal de reden van het verwijt

niet geweest zijn, veeleer dat hij reeds nu zijn voorgangers in de

schaduw dreigde te stellen. Robert Greene zelf legt hier getuigenis van

af, daar de regel, waar hij op zinspeelt, zeker een geweldigen indruk

maakte en in veler mond zal geweest zijn.—De uitgever Henry Kettle,

achtte zich weldra, waarschijnlijk op aandrang van Shakespeare of zijn

vrienden, verplicht te erkennen, dat Sh. geen blaam verdiende, en hij

gaf nog in hetzelfde jaar, 1592, een klein geschrift uit, „Kind-harts

dream” geheeten, waarin hij betreurt, het boven vermeld gezegde niet

onderdrukt te hebben; „omdat ik”, zegt hij, „sedert dien tijd zijn

gedrag als evenzoo beschaafd wellevend (civil) heb leeren kennen, als

hij in zijn beroep voortreffelijk is. Bovendien hebben verscheiden

eerzame mannen mij bericht gegeven van de oprechtheid van zijn handel,

die van zijn rechtschapenheid getuigt, en van zijn bevalligheid in het

schrijven, die zijn kunstvaardigheid bewijst”.

Dit is het oudste getuigenis, dat wij aangaande Shakespeare bezitten.

Het eerste der vier stukken, die den ondergang van het huis

Plantagenet, en daarmede tevens het verschrikkelijkst tijdvak van

Engelands geschiedenis schilderen, doet zien, hoe Frankrijk voor

Engeland verloren ging.

Met hoeveel beleid, na den dood van den overwinnaar van Agincourt, zijn

broeder, de Hertog van Bedford, de regent van Frankrijk, den oorlog

tegen den Dauphijn van Frankrijk, die zich na zijns vaders dood als

Karel VII te Poitiers liet kronen, ook voeren mocht,—hoewel hij

aanvankelijk voordeel behaalde en in 1428 en de eerste maanden van 1429

Orleans ernstig bedreigde, de zaak van den Dauphijn was de nationale

zaak en het optreden der maagd van Orleans wakkerde den volksgeest aan.

Wel werd nog in December 1431 de toen negenjarige Hendrik VI te Parijs

plechtstatig ontvangen, maar reeds in het volgend jaar begon de

Engelsche macht in Frankrijk te tanen; de partijschap in de Engelsche

koningsfamilie, waar de eerzuchtige Humfried van Gloster niet alleen

zijn oom, den kardinaal Beaufort van Winchester, maar ook zijn broeder,

den hertog van Bedford, tegenwerkte, hadden een ongunstigen invloed op

de krijgsverrichtingen der Engelschen in Frankrijk, en toen, na den

dood van den hertog van Bedford, in September 1435, de hertog van

Bourgondië, Philips de Goede, zich met den Franschen koning verzoende,

gingen de zaken der Engelschen nog meer achteruit. Toch duurde het tot

1447, eer de wapenstilstand van Tours gesloten werd, bij welken tevens

door bemiddeling van Suffolk het huwelijk van koning Hendrik VI met

Margaretha van Anjou tot stand kwam, een echtverbintenis, die

onheilvolle gevolgen voor Engeland had en de partijschap in zijn

koningshuis nog deed toenemen.

Het eerste deel van Shakespeare’s Hendrik VI omvat de gebeurtenissen

tot aan ’s konings huwelijk. De dichter volgt over het geheel de

kroniek van Hall of de daaruit grootendeels geputte kroniek van

Holinshed, maar houdt zich geenszins angstig aan de volgorde der

gebeurtenissen; integendeel, zoodra het tooneel zijn eischen stelt,

wijkt hij van deze af. Hij laat Hendrik VI, die bij zijn kroning pas

negen maanden oud was, als aankomend jongeling optreden, en vat de

oorlogen en gebeurtenissen in Frankrijk, die een dertigtal jaren

duurden, in weinige hoofdzaken samen, namelijk: het ontzet van Orleans

door de Pucelle, haar gevangenneming en terechtstelling, de kroning van

Hendrik in Parijs, de dood van den hertog van Bedford, de verzoening

van den koning van Frankrijk met den hertog van Bourgondië, de

tweespalt der Engelsche grooten, Suffolk’s bemiddeling van een

wapenstilstand, het huwelijk van den jongen koning met Margaretha van

Anjou, eindelijk het verlies van de stad Bordeaux en het sneuvelen van

Talbot en zijn zoon. Uit deze opnoeming, bij welke de chronologische

volgorde in acht is genomen, kan men afleiden, in hoeverre Shakespeare

van de geschiedenis is afgeweken. De gevangenneming en den dood van de

Maagd van Orleans heeft hij naar het eind van het stuk overgebracht,

hoewel deze gebeurtenissen in de eerste jaren van den oorlog vallen;

het gevecht van Patay, waarbij Talbot gevangen werd genomen, verplaatst

hij voor het optreden der Pucelle, hoewel zijzelf daar de Franschen

aanvoerde; den val van Talbot plaatst hij in de eerste jaren, hoewel

hij eerst 22 jaren na den dood der Maagd van Orleans sneuvelde.

Blijkbaar is het doel, het verliezen van Frankrijk te doen voorkomen

als het gevolg van een zwak en verdeeld rijksbestuur, van naijver en

partijzucht der Engelsche grooten, en van het optreden der Maagd van

Orleans. Te gelijk werd het vaderlandsch gemoed der toeschouwers

gestreeld door Talbot’s heldenmoed en den smaadvollen dood der Maagd

van Orleans. Engelands nederlaag kon niet voortvloeien uit gemis aan

heldenmoed en dapperheid bij de Engelschen, maar moest het gevolg zijn

van hun inwendige verdeeldheid en van Fransche tooverkunsten. Schrijft

men de laatste niet aan de inwerking des duivels, maar aan de opwekking

toe van den strijdlust en de vaderlandsliefde der Franschen door de

Maagd van Orleans, dan is de voorstelling van Shakespeare in de

hoofdzaak waar, al heeft hij ook de volgorde der gebeurtenissen

veranderd, al heeft hij de rol, die de mededingers Gloster en kardinaal

Beaufort aan het Engelsche hof speelden, niet juist teruggegeven en al

was de als verrader geschetste Fastolf waarschijnlijk eer een

welberaden en voorzichtig krijgsman.

Men make er Shakespeare geen verwijt van, dat hij de Maagd van Orleans

zoo, en niet anders, geschilderd heeft. Geen Engelschman uit

Shakespeare’s tijd twijfelde er aan, of zij had met helsche machten in

verband gestaan. Het was eerst nadat Duitschlands groote dichter het

beeld der Maagd geteekend heeft [2], dat Fransche en Duitsche

geschiedschrijvers recht hebben gedaan aan de nagedachtenis van het

Fransche heldenmeisje, haar beweegredenen en handelingen uit

authentieke stukken hebben toegelicht en haar als een der verhevenste

en reinste personen der wereldgeschiedenis hebben doen kennen [3]. Toch

heeft ook hier Shakespeare zijn onpartijdigheid niet geheel

verloochend; in het geheele stuk is het haar liefde voor land en

koning, die haar drijft, en zelfs daar, waar zij de helsche machten ter

hulpe oproept, in het derde tooneel van het vijfde bedrijf, is het

alleen de zucht om Frankrijk te redden, die haar zoo doet handelen.

Aangaande William de la Pole, graaf, later hertog, van Suffolk, die aan

het einde van dit stuk optreedt en in het volgende een zoo belangrijke

rol speelt, zij hier opgemerkt, dat hij ongetwijfeld een der bekwaamste

en ijverigste aanhangers was van het huis Lancaster, en dat hij

geenszins eigenmachtig, maar in overeenstemming met de hem verstrekte

instructies van den geheelen geheimen raad, den zoen met Frankrijk trof

en den koning Margaretha van Anjou als gemalin toevoerde. Maar in het

oog van het volk was hij een verrader, en toen hij later, door de gunst

der bij het volk gehate Fransche koningin in aanzien en macht steeg, en

Frankrijk meer en meer voor Engeland verloren ging, werd hij met den

onverzoenlijken haat van het volk beladen.

Voor de kennis van de familiebetrekkingen der vorstelijke personen, die

van groot belang is voor het gemakkelijk volgen van deze drie stukken

en van K. Richard III, moge het raadplegen der in dit deel voorkomende

geslachtslijst van het koninklijk huis aanbevolen worden.

I. 1. De graaf van Warwick. Met den onder de optredende personen

voorkomenden graaf van Warwick moet streng genomen Richard Beauchamp,

graaf van Warwick bedoeld zijn, en deze is niet dezelfde als de graaf

van Warwick, die later in het stuk voorkomt; deze laatste was Richard

Nevil, die eerst door zijn huwelijk met de erfdochter des graven van

Warwick, Anna Beauchamp, zijn titel erlangde. Het is ondertusschen zeer

de vraag, of Sh. hieraan gedacht heeft; misschien heeft hij beide

personen voor één gehouden.

I. 1. 1. Behangt den hemel zwart. De hemel was de kunstterm voor de

zoldering boven het tooneel, die bij treurspelen met zwart bekleed was.

Dat bij de algemeene beteekenis van het woord hemel ook deze beteekenis

door Sh. bedoeld is, ligt voor de hand.

I. 1. 65. Rheims door ons ontruimd. De Folio leest Roan, dat steeds bij

Sh. éénlettergrepig is. Dat hier voor Roan Rheimes (tweelettergrepig)

moet gelezen worden, is zoowel uit het voorgaande, als uit de maat

duidelijk.

I. 1. 117. Geen pieken om te planten voor de schutters. Op deze wijze

werden de boogschutters toentertijd steeds beschermd tegen den aanval

der vijandelijke ruiterij. Vandaar ook de uitdrukking a pitched battle.

I. 1. 131. Had Sir John Fastolf zich niet laf betoond. Zoo luidt de

naam in Holinshed’s kroniek; de Folio-uitgave maakt er hier verder

Falstaff van, waarschijnlijk door een fout van den zetter, aan wien,

evenals aan het publiek, de dikke ridder meer bekend zal geweest zijn

dan de ridder Fastolf.

I. 1. 153. Ik leg in Frankrijk vreugdevuren aan, Om ons Sint George’s

feest met glans te vieren. De in Frankrijk aangestoken dorpen en steden

zullen als vreugdevuren dienen zooals in Engeland op den vooravond van

Engelands beschermheilige werden aangestoken.

I. 2. 1. Als aan den hemel, is Mars’ ware loop Zoo ook op aard tot nog

toe onbekend. Mars is hier zoowel de planeet als de krijgsgod. De

sterrekundigen waren nog niet bij machte geweest, den schijnbaren loop

der planeet Mars aan den hemel behoorlijk te verklaren. Maar juist

omstreeks dezen tijd werd hij door de volharding van den grooten Kepler

ontraadseld.

I. 2. 29. Naar onze landgenoot Froissart beschrijft. Sh. vond deze

aanhaling van Froissart, den ouden Franschen geschiedschrijver

(1337–1410), in Holinshed. De hier genoemde Olivier en Roeland zijn de

bekende helden van Karel den Grooten.

I. 2. 56. Veel meer dan Rome’s negental Sibyllen. Negen Sibyllen waren

er niet; de dichter denkt aan de negen Sibyllijnsche orakelboeken, die

aan Tarquinius te koop werden aan geboden.

I. 2. 110. Eed’le Pucelle. Deze naam is eigenlijk aan den dauphijn nog

niet genoemd.

I. 2. 131. Sint-Maartenszomer, Halcyonendagen. Halcyonendagen waren bij

de ouden schoone, stormlooze dagen. Het schoone weder, op een storm

volgend, wordt hier met een schoonen zomerschen dag in November, op

Sint Maarten, vergeleken.

I. 2. 138. Ik ben nu als dat fiere schip, dat eens Te gader Caesar

droeg en zijn geluk. Het verhaal, dat Cæsar eens zijn bezorgden

schipper toeriep: „Wees goedsmoeds, knaap, want gij hebt Cæsar en zijn

geluk aan boord”, vond Shakespeare in de vertaling van Plutarchus door

North, een werk, dat zeker vlijtig door hem beoefend werd en dat hem

aanleiding gaf tot de meeste geleerde toespelingen, waaraan dit stuk

rijk is.

I. 2. 140. Werd eens Mohammed door een duif bezield. Dit werd door Sh.

zeker ontleend aan Sir Walter Raleigh’s Wereldgeschiedenis. Daarin

wordt verhaald, dat Mohammed een duif had gewend hem tarwekorrels uit

het oor te pikken, zoodat deze, als zij hongerig was, hem op den

schouder vloog en in zijn oor haar ontbijt kwam zoeken; waarna Mohammed

den onnoozelen Arabieren had doen gelooven, dat die duif de Heilige

Geest was, die hem raad gaf.—Helena, de moeder van keizer Constantijn,

van wie in de volgende regels gesproken wordt, stond in de middeleeuwen

als heilige vrouw en profetes in groot aanzien.—Dat de dochters van den

heiligen Philippus maagden waren en profeteerden, staat in de

Handelingen der Apostelen te lezen.

I. 3. De hertog van Gloster met zijn Dienaars in blauwe kleedij. De

blauwe kleedij droegen zij als dienaars van de wereldlijke rechterlijke

macht, terwijl die der geestelijke bruin gekleed waren, gelijk hier dan

ook de Dienaars van den bisschop van Winchester optreden.

I. 3. 35. Die deernen vrijheid geeft tot zondeplegen. De bisschop van

Winchester hief van de publieke huizen in de voorstad Southwark, die

tot zijn gebied behoorden, een schatting. Trouwens, hij wist uit alles

geld te slaan en was schatrijk.—Hierop doelt ook het woord

Winchestergans, reg. 53.

I. 3. 39. Zij dit Damascus, gij de moord’naar Kain. Volgens de

overlevering zou Kain zijn broeder omstreeks de plaats, waar Damascus

ligt, verslagen hebben.

I. 3. 46. Op de plaats geen acht geslagen. In de city mocht geen wapen

getrokken worden en wel het allerminst voor de poorten der koninklijke

sterkte.—Bij verzet bediende de politie zich van knuppels of knotsen,

zie reg. 84.

I. 4. 1. Gij weet, knaap, hoe de stad belegerd wordt. Het verhaal van

dit schot door den zoon van den tuigmeester vond Sh. in Holinshed.

I. 4. 95. Plantagenet. Talbot noemt Salisbury met den familienaam van

het koninklijk geslacht, omdat hij een afstammeling was van koning

Edward III en de schoone gravin van Salisbury.

I. 5. 6. Ik tap, zoo waar ge een heks zijt, bloed u af. Als iemand aan

een heks bloed aftapt, heeft zij geen macht over hem.

I. 5. 21. Als Hannibal. Toespeling op Hannibals krijgslist, die den

Romeinen ontkwam, door ossen met brandende struiken aan de horens naar

hen toe te drijven.

I. 6. 21. Een trotscher pyramide enz. In Plutarchus vindt men vermeld,

dat Rhodope, een lichtzinnige vrouw, bij Memphis een pyramide stichtte,

en ook, dat Alexander de Groote de gedichten van Homerus in een met

juweelen bezet kistje bewaarde, dat hij op den koning van Perzië als

oorlogsbuit veroverd had.

II. 1. 1. Hier, mannen, enz. Wat Sh. hier van Orleans vermeldt, wordt

door Holinshed van de inneming der stad Mans verhaald.

II. 2. 38. De deugdrijke gravinne van Auvergne enz. Van dit voorval met

de gravin van Auvergne wordt door de kronieken geen melding gemaakt.

II. 4. 3. Te luide spraken we in de Tempelzaal. De lords hadden in de

Tempelzaal getwist over de aanspraken van de beide huizen, Lancaster en

York, op den troon, en zetten hun strijd in den hof voort. Dat de

kenteekenen der beide partijen, de roode en witte roos, op de wijze

gekozen zouden zijn, die hier wordt aangegeven, vindt men nergens

vermeld; misschien volgde Shakespeare een volksoverlevering; dit is te

meer waarschijnlijk, omdat hij het onderwerp van den redetwist bekend

onderstelt.—De tempel was, als oud eigendom der tempelridders, een

geheiligde plaats, waar geen zwaard getrokken mocht worden; hierop

doelt reg. 86, waar van de onschendbaarheid der plaats gesproken wordt.

II. 4. 85. Wapenlooze boeren. In ’t Engelsch: crestless yeomen, de

vrijgeborenen (zooals bezitters van een landhoeve), die niet het recht

hebben om een wapen, een familiewapen, te voeren; zij zijn dus beneden

den rang van gentleman. Het woord wapenloos is dus in een bijzonderen

zin gebruikt.

II. 5. 5. Die grijze lokken enz. Edmund Mortimer, graaf van March, was

inderdaad slechts 33 jaar oud, toen hij stierf; hij was door Sh., op

het voorbeeld van Holinshed, vereenzelvigd of verward met zijn oom, den

ouderen Sir Edmund Mortimer, den schoonzoon van Owen Glendower en

zwager van Hendrik Heetspoor. Men zie de geslachtslijst en de

aanteekening op Koning Hendrik IV, in deel II.

II. 5. 123. Door eerzucht van de laagste soort gedoofd. Er staat

eigenlijk: „door eerzucht van de mindere of lagere soort, het minder

ras, gedoofd”; met het minder ras zijn de Lancasters bedoeld, die als

van een jongeren zoon dan de Mortimers afstamden, minder edel te achten

waren.

II. 5. 129. Of kies mijn tijd, die kwaad verkeert in goed. Als het

parlement hem geen recht verschaft, zal hij uit het leed of onrecht,

dat hij ondervindt, een gelegenheid trachten op te sporen, die hem

geluk, d.i. de kroon, zal verschaffen.

III. 1. 42. Gij bastaard van mijn grootvader. Hendrik Beaufort,

bisschop van Winchester, was de zoon van Jan van Gent en Catharina

Swijnford.

III. 1. 51. Ruim dan ’t land voor Rome. In het oorspronkelijke met een

woordspeling: „Roam thither then.”

III. 1. 71. Mijn teed’re jeugd bevroedt reeds. Eigenlijk was Hendrik VI

slechts vijf jaar oud, toen het parlement bijeenkwam om de twisten

tusschen Gloster en Winchester te beslechten.

III. 1. 138. Dit teeken zij een vlag van vrede en vriendschap. „Dit

teeken” moet zijn, dat Gloster aan den bisschop de hand reikt.

III. 2. 10. Die plunje helpe ons om de stad te plund’ren. In ’t

Engelsch: Our sacks shall be a mean to sack the city.

III. 2. 44. Het was vol dolik. Dolik, het bedwelmend Raygras, Lolium

temulentum, geldt als giftig; reeds de ouden meenden, dat de vruchten

er van bedwelmen en met name het gezichtsvermogen verzwakken; in

lateren tijd is dit ontkend, maar door verscheidene onderzoekers naar

aanleiding hunner proeven bevestigd.

III. 2. 94. De stoute Pendragoon. De oud-Engelsche sage verhaalt dit

zoowel van Pendragoon, den vader van koning Arthur, als van zijn

broeder Aurelius.

III. 3. 41. Dapper Bourgondië. De maagd van Orleans heeft niet

mondeling, maar door een brief den hertog van Bourgondië, schoon te

vergeefs, tot afval van Engeland trachten te bewegen en daarbij

dezelfde beweeggronden gebezigd, die Shakespeare haar hier in den mond

legt. In Holinshed wordt dit echter niet vermeld; en hoe het aan Sh.

bekend was, weten wij niet.

III. 4. 39. Dat, wie een zwaard hier trekt, doodschuldig is. Deze

bepaling gold voor de verblijfplaats des konings.

IV. 1. 19. Die lafaard daar,—bij ’t treffen van Patay. Volgens

Holinshed zou de hertog van Bedford aan Fastolf na genoemd gevecht zijn

orde hebben afgenomen.

IV. 1. 153. Ik zie niet in, zoo ik die roos nu draag, enz. De koning

wil zeggen: al draag ik de roode roos van Somerset, dan bewijst dit

evenmin mijn partijdigheid voor Somerset, als de omstandigheid, dat ik

een kroon draag evenals de Koning van Schotland, mijn partijdigheid

voor dezen vijand van Engeland bewijst.

IV. 6. 54. Zoo volg dan uw Cretenser vader nu. Talbot vergelijkt zich

met Dædalus, die, evenals hij, zijn zoon door een al te hoog vliegende

onderneming in het verderf stortte.

IV. 7. 61. De dapp’re Talbot, graaf van Shrewsbury. De lijst der titels

en waardigheden van Talbot stond op zijn voormalig eeregraf te Rouaan,

maar was, zoo het schijnt, in Shakespeare’s tijd in geen gedrukt boek

te vinden.

V. 1. 28. Wat! is mylord van Winchester verhoogd. En met den

kardinaalsrang nu bekleed? De dichter heeft er niet opgelet, dat hij

reeds in het eerste bedrijf (I. 3. 36) den prelaat, met een

anachronismus, een kardinaalshoed heeft toegekend.

V. 3. 5. Gij rappe helpers, trouwe knechten, waar Des Noordpools groote

koning over heerscht. De geesten woonden, volgens Reginald Scot’s

Discoverie of Witchcraft,—een boek, dat Sh. kende—in vier rijken, in

het noorden, oosten, zuiden en westen, onder vier koningen. De booze

geesten wonen in het noorden, hun koning heet Zimimar; de geestenkoning

van het oosten heet Amaimon, van het zuiden Gorson, van het westen

Goap.

V. 3. 48. Ik kus tot eeuw’gen vrede deze vingers. Suffolk kust zijn

eigen vingers, als teeken van eerbiedige hulde.

V. 3. 52. Van Napels’ koning. Wie gij wezen moogt.—Deze door Delius

voorgestelde interpunctie geeft een natuurlijke levendigheid aan het

gesprek; Suffolk valt hier Margaretha in de rede. Volgens de

interpunctie der folio-uitgave zegt Margaretha: „Ik ben de dochter van

Napels’ koning, wie gij ook wezen moogt.”

V. 5. 83. Ja, dat is ’t, wat mijn koorts bekoelen moet. In het Engelsch

noemt Suffolk de herinnering aan zijn vrouw a cooling card; men kan

hier denken aan de als geneesmiddel geschatte Gezegende distel, Carduus

(of Cnicus) benedictus, die als afkoelend middel bij koortshitte werd

aangewend, en schertsenderwijs ook wel eens in geschriften van dien

tijd als remedie tegen al te vurige liefde wordt aangehaald.—Toen

Suffolk later de koningin Margaretha van Anjou uit Frankrijk ging

afhalen, werd hij door zijn vrouw vergezeld; deze was van hooge

literarische afkomst, een kleindochter van Engelands grooten dichter

Chaucer.

V. 3. 116. Als Englands machtig koning vrijheid heeft. Als hij vrij is

in zijn keuze.

V. 4. 74. Wat! Alençon! die booze Macchiavelli! Macchiavelli

(1469–1527) was den tijdgenooten van Shakespeare zeer bekend en hun een

voorbeeld van een listig en gewetenloos staatsman. In Marlowe’s Jood

van Malta spreekt hij den proloog en geeft hij een karakterschets van

zichzelf.

Koning Hendrik de Zesde · 第 46 / 165 题