VIERDE TOONEEL.

Het legerkamp van den hertog van York in Anjou.

York, Warwick en Anderen komen op.

YORK. Brengt nu de tooverheks, die branden moet.

(De Pucelle komt op, door een Wacht begeleid, verder een Herder.)

HERDER. O Jeanne, dit, dit breekt uws vaders hart!

Heb ik de landen wijd en zijd doorzocht,

En, nu ik eindlijk slaag, dat ik u vind,

Kom ik voor uwen vroegen bitt’ren dood?

O Jeanne, lieve dochter, ’k sterf met u.

PUCELLE. Oneed’le lomperd, afgeleefde schelm!

Ik ben uit vrij wat eed’ler bloed ontsproten,

Mijn vader zijt gij noch mijn bloedverwant.

HERDER. Foei, foei!—Gij eed’le heeren, ’t is zoo niet;

Zij is mijn kind, dit weet het gansche kerspel,

Haar moeder leeft nog, die ’t getuigen kan,

En zij was de eerstling van mijn jonkmanschap.

WARWICK. Verworp’ne! zweert ge uw eigen ouders af?

YORK. Dit toont ons, welk een leven zij geleid heeft: 15

Godd’loos en slecht; en zoo besluit zij ’t nu.

HERDER. O Jeanne, foei, zoo obsternaat te zijn!

God weet, vleesch zijt gij van mijn vleesch en bloed,

En meen’gen traan heb ik om u geschreid:

Verloochen mij toch niet, mijn lieve Jeanne!

PUCELLE. Kom, boer, ga weg!—Gij hebt dien man betaald,

Dat hij mijn nobele afkomst zou verduistren.

HERDER. ’t Is waar, een nobel gaf ik aan den priester,

Den morgen, dat ik trouwde met haar moeder.—

Kniel neer, dat ik u zeeg’ne, goede Jeanne!—

Gij wilt dit niet? Gevloekt zij dan het uur

Van uw geboorte! O waar’ de melk, dit wenschte ik,

Die ge aan de borsten uwer moeder zoogt,

In rattengif verkeerd om uwentwille!

Of anders, hadd’, bij ’t hoeden van mijn lamm’ren,

Een uitgevaste wolf u opgevreten!

Zweert gij uw vader af, vervloekte slet?

Verbrandt, verbrandt haar; hangen is te zacht.

(De Herder af.)

YORK. Ja, voert haar weg; te lang heeft zij geleefd,

Te lang reeds de aard vervuld van booze kunsten.

PUCELLE. Verneemt dan eerst van mij, wie gij veroordeelt:

Geenszins de dochter van een armen scheper,

Maar wel de spruit eens eed’len koningsstams,

Deugdrijk en heilig, van omhoog verkoren:

En aangeblazen door des hemels gunst,

Om wondren, nooit gezien, op aard te werken.

Met booze geesten had ik nooit te doen;

Doch gij, die met uw lusten zijt bevlekt,

Bespat door ’t reine bloed van schuldeloozen,

Met duizenden van ondeugden besmet,—

Dewijl gij Gods genade, die aan andren

Ten deel viel, mist, zoo acht gij ’t voor onmoog’lijk,

Wondren te werken zonder ’s duivels hulp!

Neen, neen, verdwaasden, Jeanne d’Arc was steeds,

En van haar prille jeugd, een reine maagd,

Kuisch, onbesmet zelfs in haar zielsgedachten;

Luid zal haar heilig, wreed vergoten bloed

Om wrake schreien aan des hemels poorten.

YORK. Goed, goed.—Nu weg met haar ter strafvoltrekking!

WARWICK. En, mannen, hoort; wijl zij een meisje is,

Zoo spaart geen mutsaard, neemt daarvan genoeg;

Zet tonnen pek rondom den folterpaal,

Opdat gij zoo de martling haar verkort.

PUCELLE. Kan niets u ’t onmeedoogend hart vermurwen?— 59

Dan, Jeanne, kome uw zwakheid nu aan ’t licht,

Die naar de wet een voorrecht u verleent.—

Bloedgier’ge menschenmoorders, ik ben zwanger;

Verstikt dus niet de vrucht in mijnen schoot,

Al geeft gij mij den feilen dood ook prijs.

YORK. Verhoede ’t God! een heil’ge maagd en zwanger!

WARWICK. Het grootste wonder, ooit door u gedaan!

Loopt hierop al uw strenge kuischheid uit?

YORK. Zij heeft met den Dauphijn haar spel gespeeld;

Ik dacht wel, zoo iets zou haar toevlucht zijn.

PUCELLE. Uw gissing dwaalt; mijn kind was niet van hem;

’t Was Alençon, wien ik mijn gunsten schonk.

YORK. Wat! Alençon! die booze Macchiavelli!

Het sterft, al waar het duizend levens rijk.

PUCELLE. O, wacht nog; ik bedroog u, ’t was niet Karel,

En ook de hertog, dien ik noemde, niet;

Reignier was ’t, Napels’ koning, die mij won.

WARWICK. Een man met vrouw en kind! ’t Is allerschand’lijkst!

YORK. Foei, welk een deerne! ’t schijnt, ze weet niet recht,

Wien zij verklagen zal, zoo velen waren ’t.

WARWICK. Dit blijkt wel, met haar gunsten was zij mild.

YORK. En toch, wel ja, zij is een reine maagd!—

Gij spraakt uw vonnis, slet, van u en ’t wicht’

Beproef geen smeeken; alles is vergeefsch.

PUCELLE. Zoo leidt mij weg;—u laat ik mijnen vloek.

Dat nimmermeer de lichte zon haar glans

Doe stralen op het land, door u bewoond;

Dat nacht en schaduwen des doods u steeds

Omgeven, tot u onheil en vertwijfling

Den nek breek’ of u tot verhanging drijv’!

(De Pucelle met de Wacht af.)

YORK. Val uit elkaar, en word tot asch verteerd,

Vervloekte, vuige dienares der hel!

(De Bisschop van Winchester, thans Kardinaal

Beaufort, komt op met Gevolg.)

KARDINAAL. Uw hoogheid, lord regent, ontvang’ mijn groet

Met dezen volmachtsbrief van onzen koning.

Want weet, de staten van de christenheid,

Om dezen woesten strijd vol mededoogen,

Verlangen dringend, dat er tusschen ons

En ’t roembejagend Frankrijk vrede koom’;

En reeds komt de dauphijn hier met gevolg

Om over enkle punten te onderhandlen.

YORK. Moet dit de vrucht nu zijn van al onze arbeid? 102

Wij zouden na ’t verlies van zooveel pairs,

Aanvoerders, edellieden en soldaten,

Die vielen in deze’ oorlog, en hun lijf

Voor Englands welzijn fier ten beste gaven,

Ten laatste nu een laffen vrede sluiten?

Verloren wij door trouwbreuk, door verraad

En valschheid niet alreeds schier alle steden,

Door onze groote vaad’ren eens gewonnen?—

O Warwick, Warwick, ik voorzie met smart

’t Geheel verliezen van het Fransche rijk!

WARWICK. York, houd u kalm! Indien wij vrede sluiten,

Zal ons verdrag zoo streng en bindend zijn,

Dat luttel slechts de Franschman er bij wint.

(Karel komt op met Gevolg, verder Alençon, de Bastaard, Reignier en

Anderen.)

KAREL. Daar ’t, Englands eed’len, afgesproken is,

In Frankrijk vrede en eendracht uit te roepen,

Zoo komen wij thans van uzelven hooren,

Aan wat bedingen gij den vrede knoopt,

YORK. Spreek, Winchester, want heete gal verstopt

Den hollen gang van mijn gevangen stem,

Nu ’k daar den onheilvollen vijand zie.

KARDINAAL. Karel, en gij andren, dit is vastgesteld:

Vermits slechts uit zachtmoedigheid en deernis

U koning Hendrik ingewilligd heeft,

Uw land te ontheffen van den druk des krijgs,

Des vruchtb’ren vredes lucht u te doen aad’men,

Moet gij vazallen worden van zijn kroon,

En, Karel, op beding, dat gij bezweert

Hem schatting op te brengen, en hem huldigt,

Zult gij, als vicekoning onder hem,

Voortaan u in uw koningsrang verheugen.

ALENÇON. Wat! zou hij dus zijn eigen schaduw zijn?

Zou hij zijn slapen met een kroontje sieren,

En toch, naar de’ aard van zijn gezag en invloed,

Alleen het recht eens onderdaans behouden?

Dit aanbod is onzinnig, ongerijmd.

KAREL. Gij weet, ik heb van ’t Gallische gebied

Meer dan de helft alreeds in mijn bezit,

En word er als rechtmatig vorst geëerd;

En zou ik, om ’t nog niet veroverd deel,

Thans van mijn koningsrechten zooveel afstaan,

Slechts vicekoning heeten van ’t geheel?

Neen, heer gezant, neen, ik behoud veeleer

Dat wat ik heb, dan dat ik, meer begeerend,

De moog’lijkheid mij van ’t geheel ontneem.

YORK. Gij, trotsche Karel, hebt gij in ’t geheim

Bemidd’ling tot een vrede sluw verworven;

En nu het komen zal tot een verdrag,

Treedt gij terug en weegt en meet en rekent?

Kies, neem den titel, dien gij rechtloos voert,

Nu als geschenk van onzen koning aan,

Geen aanspraak er op makend als een recht,

Of reken op een eindeloozen krijg. 154

REIGNIER. Mijn vorst, gij doet niet wel, zoo gij halsstarrig

Bezwaar maakt tegen ’t sluiten van ’t verdrag;

Verzuimen wij dit nu, tien tegen een,

Wij krijgen die gelegenheid nooit weer.

ALENÇON (zacht tot Karel). ’t Is inderdaad uw beste politiek,

Uw volk voor zulk een bloedbad te behoeden

En ’t grimmig nederhouwen, dat men daag’lijks

Bij ’t onophoudelijk oorlogvoeren ziet;

Neem daarom deze wapenschorsing aan,

Al breekt gij haar, zoodra dit u behaagt.

WARWICK. Hoe is het, Karel, treedt ge in ons beding?

KAREL. Het zij;

Met voorbehoud, dat gij niet eischt, met ons

In een’ge stad van ons ùw volk te leggen.

YORK. Zoo doet den leeneed aan zijn majesteit:

Zoo waar gij ridder zijt, nooit ongehoorzaam

Te zijn aan Englands kroon, noch op te staan,

Gij noch uw eed’len, tegen Englands kroon.—

(Karel en zijn Edelen maken het gebaar van den huldigingseed.)

En nu, ontbind uw leger, als gij ’t wilt,

Hang op uw vanen, laat uw trommen zwijgen,

Want heilig is de nu gesloten vreê.

(Allen af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 44 / 165 题