SUFFOLK. Mejonkvrouw, geef mij voor een zaak gehoor,—

MARGARETHA (ter zijde). Nu, vrouwen krijgsgevangen, ’t is niets nieuws!

SUFFOLK. Mejonkvrouw, waarom spreekt gij zoo?

MARGARETHA. Verschoon mij, heer, het is slechts quid pro quo.

SUFFOLK. Prinses, acht ge uw gevangenschap niet heilrijk,

Wanneer zij u tot koningin verheft?

MARGARETHA. ’t Is lager, koningin te zijn in banden,

Dan slaaf te zijn in lage dienstbaarheid,

Want vorsten moeten vrij zijn.

SUFFOLK. O, dat zult gij,

Als Englands machtig koning vrijheid heeft.

MARGARETHA. Nu, wat gaat mij des konings vrijheid aan?

SUFFOLK. ’k Neem aan, u Hendriks koningin te maken,

Een gouden scepter u ter hand te stellen,

Een rijke kroon te drukken op het hoofd,

Wanneer gij gunstrijk mij—

MARGARETHA. Wat?

SUFFOLK. Hèm beminnen wilt.

MARGARETHA. Ik ben niet waardig, Hendriks vrouw te zijn.

SUFFOLK. Neen, eed’le jonkvrouw, ik, ik ben niet waardig

Naar zulk een schoone vrouw voor hem te dingen,—

En zelf geen deel te hebben in de keus.—

Wat zegt gij, jonkvrouw, stemt gij er mee in?

MARGARETHA. Wanneer mijn vader ’t wil, dan stem ik toe.

SUFFOLK. Treedt nader dan, mijn krijgers en mijn vanen!—

Prinses, wij willen voor uws vaders burg

Hem dringend vragen om een mondgesprek.

(Troepen komen nader.)

(Trompetsignaal om een mondgesprek. Op den muur verschijnt Reignier.)

SUFFOLK. Zie hier, Reignier, uw dochter als gevang’ne.

REIGNIER. Van wien?

SUFFOLK. Van mij?

REIGNIER. Suffolk, wat baat te vinden?

Ik ben soldaat, geen man, die weenen zal,

Of op de wuftheid van ’t geluk zal razen. 134

SUFFOLK. Voorwaar, heer, baat is er genoeg te vinden;

Sta toe, en sta het voor uw eere toe,

Dat uwe dochter met mijn koning huwt.

Hààr heb ik reeds, hoe zwaar ’t mij viel, gewonnen,

En deze hechtnis, licht en zacht genoeg,

Heeft koninginne-vrijheid haar verworven.

REIGNIER. Meent Suffolk wat hij zegt?

SUFFOLK. De jonkvrouw weet,

Dat Suffolk niet kan vleien, huichlen, veinzen.

REIGNIER. Zoo kom ik tot u, op uw vorstlijk woord,

Om antwoord op uw aanzoek u te geven.

(Reignier af, van den muur.)

SUFFOLK. En ik wacht hier uw komst af.

(Trompetgeschal. Reignier komt op, beneden.)

REIGNIER. Wees welkom, dapp’re graaf, in ons gebied;

Wensch, eisch hier in Anjou, wat u behaagt.

SUFFOLK. Heb dank, Reignier; gij zijt een dochter rijk,

Door lieflijkheid volwaard een troon te deelen.

Wat antwoord geeft uw hoogheid op mijn aanzoek?

REIGNIER. Daar gij het goed acht, naar haar kleine waarde

Als hooge bruid voor zulk een vorst te dingen,

Zoo geef ik, met beding, dat ik mijn landen,

Anjou en Maine in vrede mag bezitten,

Van onderdrukking vrij en krijgsgeweld,

Aan Hendrik mijne dochter, als hij ’t wenscht.

SUFFOLK. Dit is haar losgeld; zie, ik geef haar vrij,

En beide deze landen, ’k neem het op mij,

Zal uwe hoogheid ongestoord bezitten.

REIGNIER. En ik van mijn kant geef aan u voor Hendrik,

Als plaatsvervanger van dien hoogen vorst,

Haar hand in de uwe, als teeken van verloving.

SUFFOLK. Reignier van Frankrijk, ’k zeg u koningsdank,

Naardien dit hand’len voor een koning is.

(Ter zijde.) En toch zou ik, zoo dunkt mij, met voldoening

In deze zaak mijn eigen midd’laar zijn.—

(Luid.) Ik spoed mij thans naar England met dit nieuws

En draag er voor de huwlijksviering zorg.

Reignier, vaarwel! Vat dezen diamant,

Zooals ’t behoort, in gouden prachtpaleizen.

REIGNIER. Wees eerst omarmd, zooals ik, waar’ hij hier,

Uw vromen koning Hendrik zou omarmen.

MARGARETHA. Vaarwel, heer graaf. Lof, wenschen en gebeên

Zal Margaretha steeds aan Suffolk wijden. 174

(Zij wil heengaan.)

SUFFOLK. Vaar, lieve jonkvrouw, wel! Doch, Margaretha,

Geen vorstlijk schoone groeten voor mijn koning?

MARGARETHA. Al zulke groeten, als zij aan een maagd,

Een jonkvrouw, en zijn dienares, betamen.

SUFFOLK. Voorwaar, bekoorlijk, zedig schoon gezegd!

Maar toch, mejonkvrouw, val ik nogmaals lastig,—

Geen liefdepand voor zijne majesteit?

MARGARETHA. Ja zeker, heer, een rein en vlekloos hart,

Door liefde nooit beroerd, zend ik den koning.

SUFFOLK. En dit daarbij.

(Hij kust haar.)

MARGARETHA. Houd gij dit zelf; ’k ben niet zoo stout, een koning

Een liefdepand, zoo nietig, toe te zenden.

(Reignier en Margaretha af.)

SUFFOLK. O waart gij voor mijzelf!—Doch, Suffolk, zwijg!

Begeef u niet in zulk een labyrinth;

Daar loert een Minotaurus, ’t hoogverraad!

Win Hendrik door het roemen van dit wonder,

Stel u haar weergalooze deugden voor,

Die gaven der natuur, die kunst verduistren;

Schets u op zee dit beeld aldoor opnieuw,

Opdat gij, als ge aan Hendriks voeten knielt,

Hem zijn bezinning door verbazing rooft.

(Suffolk af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 43 / 165 题