DERDE TOONEEL.

Frankrijk. Voor Angers.

Strijdgedruisch; schermutselingen. De Pucelle komt op.

PUCELLE. ’t Is York, die overwint; de Franschen vluchten.—

Helpt thans, gij tooverspreuken, talismans,

En gij verkoren geesten, die mij waarschuwt,

En teek’nen zendt van wat gebeuren zal;

(Donderslagen.)

Gij, rappe helpers, trouwe knechten, waar

Des noordpools groote koning over heerscht,

Komt op, verschijnt, en helpt mij bij dit werk!

(Booze Geesten verschijnen.)

Uw vaardig, rasch verschijnen is mij borg

Voor uwe mij zoo vaak betoonde vlijt.

En nu, gij mijne geesten, die ik uitlas

In machtige onderaardsche rijken, helpt mij

Deze eene maal, dat Frankrijk zegevier’!

(De Geesten waren om en spreken niet.)

O, kwelt mij niet, door óverlang te zwijgen.

Gelijk ik lang u voedde met mijn bloed,

Houw ik mij thans een lid af, dat ik geef,

En dat u ’t handgeld zij van verder loon,

Zoo gij u thans vervaardigt mij te helpen.

(De Geesten laten het hoofd hangen.)

Geen hulpe meer, geen hoop?—’k Wil met mijn lijf

Mijn dank u kwijten, zoo gij mij verhoort.

(Zij schudden het hoofd.)

Kan u mijn lijf, noch ’t off’ren van mijn bloed

Tot uw gewone hulp en steun bewegen,

Zoo neemt mijn ziele, lijf en ziel en alles,

Eer England op de Franschen triumfeer’!

(Zij verdwijnen.)

Zij vallen van mij af! Nu komt de tijd,

Dat Frankrijk ’t fier gehelmde hoofd moet buigen, 25

En ’t nederleggen moet in Englands schoot.

Mijn oude tooverspreuken zijn te zwak;

De hel is mij te sterk om meê te worst’len;

Thans, Frankrijk, zinkt uw glorie in het stof.

(De Pucelle af.)

(Strijdgedruisch. Strijdende Franschen en Engelschen komen op;

daaronder de Pucelle en York, die handgemeen worden. De Pucelle wordt

gevangen genomen. De Franschen vluchten.)

YORK. Thans, Fransche deerne, heb ik u, zoo ’k meen;

Ontboei uw geesten nu met tooverspreuken,

En zie, of zij u vrijheid kunnen schenken.—

Een schoone buit, de gunst des duivels waard!

Zie, hoe de schoone heks de wenkbrauw fronst,

En liefst, als Circe, mij herscheppen zou.

PUCELLE. Herschepping kan niet erger u misvormen.

YORK. Ja, Karel, de dauphijn, is knapper man;

Slechts hij kan uw kieskeurig oog behagen.

PUCELLE. Treffe u en Karel beide’ een folt’rend onheil,

En moge een hand des bloeds u beiden plotsling

Bij ’t slapen in uw bedden overvallen!

YORK. Gij booze tooverheks, weerhoud uw tong!

PUCELLE. Sta toe, dat ik een wijl mijn vloeken uit.

YORK. Vloek, lage deerne, als gij ten mutsaard gaat.

(Beiden af.)

(Strijdgedruisch. Suffolk komt op, prinses Margaretha bij de hand

leidende.)

SUFFOLK. Wie gij ook zijn moogt, mijn gevang’ne zijt gij.

(Hij beschouwt haar.)

O hemelschoonheid, vrees niet, vlucht niet, neen,

Want slechts met eerbied raakt mijn hand u aan.

Ik kus tot eeuw’gen vrede deze vingers,

En leg ze zachtkens aan uw teed’re zij.

Wie zijt gij? spreek, opdat ik u vereer.

MARGARETHA. ’k Ben Margaretha, dochter van een koning,

Van Napels’ koning. Wie gij wezen moogt,—

SUFFOLK. Ik ben een graaf, en Suffolk is mijn naam.

Wees niet gekrenkt, gij wonder der natuur,

Dat het uw lot was in mijn hand te vallen;

Zie, zóó beschut een zwaan haar donzig kroost

En houdt dit met haar vleugels als gevangen.

Maar zoo die hechtnis in het minst u grieft,

Zoo ga, wees vrij, neem Suffolk’s vriendschap aan.

(Zij wendt zich af om heen te gaan.)

O blijf!—(Ter zijde.) ’t Valt mij te zwaar haar los te laten;

Al laat mijn hand haar los, mijn hart roept neen.

Gelijk de zon speelt op kristallen stroomen,

Met nagebootsten gloed verdubbeld flikk’rend,

Schijnt in mijn oogen deze wonderpracht. 64

Hoe gaarne ik naar haar ding’, ik durf niet spreken.

Ik eisch papier en inkt, en schrijf mijn vraag.

Foei! de la Pole, maak niet uzelf zoo zwart;

Hebt gij geen tong? is ze uw gevang’ne niet?

Wordt gij versaagd bij de’ aanblik van een vrouw?

Ja, schoonheid heeft zoo hooge majesteit;

Zij maakt de tong verlamd, de zinnen stomp.

MARGARETHA. Spreek, graaf van Suffolk, als gij zoo u noemt,

Wat losgeld moet ik geven, eer ik gaan kan?

Want uw gevang’ne ben ik, naar ik zie.

SUFFOLK (ter zijde). Hoe kunt gij weten, of zij u versmaadt,

Aleer gij hebt getracht haar hart te winnen?

MARGARETHA. Gij zwijgt nog steeds? welk losgeld moet ik geven?

SUFFOLK (ter zijde). Ja, zij is schoon en daarom ’t vragen waard;

Zij is een vrouw en daarom wel te winnen.

MARGARETHA. Neemt gij een losgeld aan? zeg ja of neen.

SUFFOLK (ter zijde). Gij dwaas! herinner u, gij hebt een vrouw;

Hoe kan dan Margaretha de uwe zijn?

MARGARETHA. Het best waar’ heen te gaan; hij wil niet hooren.

SUFFOLK (ter zijde). Ja, dat is ’t, wat mijn koorts bekoelen moest.

MARGARETHA. Hij praat maar toe; die man is stapelgek.

SUFFOLK (ter zijde). Hoe ’t zij, een dispensatie is te krijgen.

MARGARETHA. Hoe ’t zij, ik wenschte, dat gij antwoord gaaft.

SUFFOLK (ter zijde). Ik wil die jonkvrouw winnen. Maar voor wien?

Nu, voor den koning.—Foei! dit snijdt geen hout!

MARGARETHA. Hij praat van hout; hij is een timmerman.

SUFFOLK (ter zijde). Zóó kan ik mij verheugen in mijn liefde,

En deze rijken door een vreêverbond.

Doch hierbij blijft nu dit bezwaar nog over:

Al is haar vader Napels’ koning, hertog

Van Maine en van Anjou, toch is hij arm,

En heel onze adel schimpt wis op dien echt.

MARGARETHA. Gij wilt niet hooren, heer? hebt gij geen tijd?

SUFFOLK (ter zijde.) Zóó moet het zijn, hoe zij het ook verachten;

Hendrik is jong en geeft wis spoedig toe.—

(Luid.) ’k Heb, jonkvrouw, een geheim u mee te deelen.

MARGARETHA (ter zijde). Al ben ik in zijn macht, hij schijnt een

ridder,

En doet gewis mij niets onwaardigs aan. 102

SUFFOLK. Jonkvrouw, gelief mij thans gehoor te schenken.

MARGARETHA (ter zijde). Wellicht bevrijden mij de Franschen nog;

En dan heb ik zijn gunst niet in te roepen.

Koning Hendrik de Zesde · 第 42 / 165 题