BODE. Het Engelsch leger, dat verbrokkeld was
In twee gedeelten, is geheel vereend
En is van plan terstond u slag te leev’ren.
KAREL. Wat al te plotsling, heeren, komt die tijding;
Maar ’t zij, in alles zij terstond voorzien.
BOURGONDIË. ’k Denk, Talbot’s geest bezielt niet langer ’t heer;
Na zìjn dood, heer, geen vrees, geen aarz’ling meer.
PUCELLE. Geen lage zonde is zoo vervloekt als vrees.
Gebied de zege, Karel, en ze is u,
Schoon Hendrik wrokk’, de wereld er van gruw’!
KAREL. Vooruit dan, lords; geluk zij Frankrijks deel!
(Allen af.)