ZEVENDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het slagveld.

Strijdgedruisch; gevechten. Talbot komt op, gewond, door een Dienaar

ondersteund.

TALBOT. Waar is mijn ander leven?—’t mijne vlood?

O, waar is John? mijn dapp’re strijdgenoot?—

Zeegrijke dood, al bracht gij boeien nu,

Om ’s jongen Talbot’s moed belach ik u.—

Toen hij mij op mijn knie zag, zwaaide hij

Zijn bloedig zwaard beschermend over mij,

En, als een uitgevaste leeuw, volbracht

Hij daden van geweld en reuzenkracht;

Doch toen mijn wachter, dien mijn doodsnood drong

Tot wraak, alleen stond, niemand hem besprong,

Toen dreef hem blinde woede en razernij

Des harten plotseling heen en ver van mij

In ’s vijands dichten drom; de fiere moed

Mijns zoons verstikte er in een zee van bloed;

Daar stierf mijn zoon, mijn pas ontloken bloem,

Mijn Icarus, recht fier en rijk aan roem.

(Soldaten komen op, met het lijk van John Talbot.)

DIENAAR. Ach, beste heer, daar wordt uw zoon gebracht.

TALBOT. Gij, zotskap Dood, die spottend ons belacht, 18

Dra zullen, van uw smaadlijk juk bevrijd,

In heerlijkheid vereenigd voor altijd,

Twee Talbots zweven door de weeke lucht,

Trots uwen dwang der sterflijkheid ontvlucht.—

O gij, wiens wonden Dood zelfs lieflijk staan,

Spreek, eer gij adem derft, uw vader aan!

Ja, trots den Dood, spreek, hem tot ergernis,

Alsof hij Franschman en uw vijand is.—

Gij glimlacht, arme knaap, alsof gij zegt:

„De Dood een Frank! ’k had dood hem neergelegd!”—

Komt, brengt hem, legt hem aan zijns vaders hart;

Mijn geest bezwijkt bij zooveel leed en smart.

Vaart, krijgers, wel! ik heb wat ik begeer:

Mijn zoon ligt in zijns vaders armen neer.

(Hij sterft.)

(Strijdgedruisch. De Soldaten en de Dienaar gaan heen, de beide lijken

achterlatend. Daarna komen op: Karel, Alençon, Bourgondië, de Bastaard,

de Pucelle, met troepen.)

KAREL. Waar’ York met Somerset ter hulp gesneld,

Dan waar’ ’t een booze dag voor ons geworden.

BASTAARD. Wat doopte Talbot’s jonge leeuw verwoed

Zijn kinderzwaard in ’t beste Fransche bloed!

PUCELLE. Ééns heb ik hem ontmoet en sprak hem aan:

„U, maagdlijk jongling, zal een maagd verslaan”;

Maar, met een blik vol majesteit en hoon,

Was ’t antwoord: „Weg! des grooten Talbot’s zoon

Wordt nooit de buit van deernen zooals gij!”

Zoo stortte hij zich in ’t gedrang, en mij

Liet hij daar staan als geen bestrijden waard.

BOURGONDIË. Hoe ’t zij, hij toonde vroeg zijn heldenaard.

Ziet, hoe hij daar in de armen ligt begraven

Van hem, wiens bloeddorst hem met smart moest laven.

BASTAARD. Houwt hen in stukken, spreidt die over ’t veld!

Hem, Frankrijks schrik en Englands eerste held!

KAREL. Laat af, en hoont den leeuw, voor wien gij vloodt,

Toen hij nog leefde, thans niet in den dood!

(Sir William Lucy komt op, met Gevolg, voorafgegaan door een Franschen

Heraut.)

LUCY. Heraut, voer me aan de tent van den dauphijn,

Opdat ik wete, wie de zege wegdroeg.

Koning Hendrik de Zesde · 第 36 / 165 题