LUCY. Submissie, prins? dat is een echt Fransch woord;
Wij, Englands krijgers, kennen ’t niet, dauphijn.
Ik kom slechts vragen naar uw krijgsgevang’nen,
En wensch te zien, wie er gevallen zijn.
KAREL. Gevang’nen? Onze kerker is de hel.
Doch zeg mij, wien gij zoekt.
LUCY. Waar is de groote Alcides van het slagveld,
De dapp’re Talbot, graaf van Shrewsbury,
En, om zijn heldendaden, ook betiteld
Graaf van Valence, Wexford, Waterford,
Lord Talbot van Goodrig en Urchinfield,
Lord Strange van Blackmere, lord Verdun van Alton,
Lord Cromwell van Wingfield, lord Furnival van Sheffield,
Driemaal zeeghafte lord van Falconbridge,
Doorluchte ridder van Sint George’s orde,
Sint Michaël waardig en het Gulden vlies,
Maarschalk van Hendrik, zesden van dien naam,
Voor al zijn krijgen in het Fransche rijk?
PUCELLE. Voorwaar, dat is een overdwaze pronkstijl!
De Turk, die twee-en-vijftig rijken heeft,
Schrijft nog geen stijl van zulk een langen adem.
Hij, dien gij zoo verheft met al die titels,
Ligt voor uw voeten als een stinkend aas.
LUCY. Is Talbot dood, der Franschen een’ge geesel,
De schrik uws rijks, uw zwarte Nemesis?
O, wierden mijner oogen ballen kogels,
Dat ik ze woedend u in ’t aanzicht schoot!
Kon ik die dooden weer in ’t leven roepen!
Genoeg waar’ ’t, om gansch Frankrijk te verschrikken 82
Zoo slechts zijn beeltnis bij u achterbleef,
De stoutsten uwer zou dit doen verbleeken!
Geef mij hun lijken, dat ik die vervoer’,
En hun naar hunne waarde een uitvaart schenk’.
PUCELLE. De knaap is wis des ouden Talbot’s geest,
Zoo trotsch gebiedend is hij in zijn spreken.
Om Gods wil, geef die twee aan hem, want hier
Verpesten zij de lucht slechts met hun stank.
KAREL. Ga, neem de lijken mee.
LUCY. Ik voer ze weg;
Een feniks rijst nog eenmaal uit hun asch,
Weer Frankrijks geesel, zooals Talbot was.
KAREL. Doe met hen, wat gij wilt; wij zijn hen kwijt.
Thans naar Parijs! ons wachten gloriedagen!
Niets stuit ons, nu held Talbot is verslagen.
(Allen af.)