ZESDE TOONEEL.

Een Slagveld.

Strijdgedruisch. Gevechten, waarin Talbot’s zoon omsingeld en door

Talbot ontzet wordt.

TALBOT. Sint George en zege! vecht, soldaten, vecht!

Niets is het woord, dat York mij gaf, ons waard;

Hij geeft ons prijs aan Frankrijks grimmig zwaard.—

Waar is mijn zoon?—Schep adem! rust! Ik gaf

U ’t leven en ontreet u daar aan ’t graf.

JOHN. Gij, tweewerf vader! tweemaal ben ’k uw zoon;

Het eerstgeschonken leven was ontvloôn,

Toen, trots het lot, uw heldenzwaard mijn leven,

Dat uit was, nieuwe kracht en duur kwam geven.

TALBOT. ’t Vuur, door uw zwaard uit Karels helm geslagen,

Ontvlamde uws vaders hart tot heftig jagen

Naar trotsche zege. Ik hief mijn grijsaardsarm

En sloeg, van jeugdig vuur en woede warm,

Bourgondië, Alençon en Orleans

In ’t stof, en roofde, u reddend, al hun glans.

Den bastaard Orleans, die, wild en ruw,

U bij uw maagdestrijd weerstond, en u

Bloed deed verliezen, knaap, besprong ik ras,

En, slagen wiss’lend, kleurde hij het gras

Rood met zijn bastaardbloed. Toen riep mijn hoon

Hem smaad’lijk toe: „Die wonde zij uw loon;

Dit laag, gemeen, bevlekt, onwaardig bloed

Vloeit hier voor ’t mijne, zuivre, dat uw moed

Zoo driest van mijnen wakk’ren jongen spilde!”

Maar juist toen ik den bastaard dooden wilde,

Verscheen er hulp. Gij, dierbaar kind, spreek nu;

Zijt gij niet moede, John? hoe voelt gij u?

Ontwijk den slag nu, zoon; ’t is tijd nog, keer;

Gewaarmerkt zijt gij als een man van eer!

Vlucht nu, en wreek, indien ik val, mijn dood;

De hulp van éénen man helpt niet in nood.

Voorwaar, ’t zou dwaasheid zijn, ons aller leven

In ééne kleine boot nu prijs te geven. 33

Ontziet mij Frankrijks woede heden nog,

Dan sterf ik, hoogbejaarde, morgen toch;

Zij winnen niets door mijnen dood; dan wordt

Mijn leven slechts een enk’len dag verkort.

In u sterft uwe moeder, Talbot’s naam,

Mijn wraak, uw jeugd en Englands roem te zaam.

Dit alles, meer nog, waagt gij, zoo gij wijlt;

Dit alles redt gij, zoo gij vlucht en ijlt.

JOHN. Van ’t zwaard van Orleans voelde ik geen smart,

Van deze uw woorden bloedt en krimpt mij ’t hart.

Eer ik voor zulk een smaad die winst begeer,

Een nietig leven voor een schat van eer,

Eer Talbot’s zoon ontvlucht van Talbot’s zijde,

Eer storte ’t laffe ros, dat ik berijde,

En zij mijn lot eens Franschen dorpers lot,

Mikpunt van ieders hoon, van ieders spot!

Voorwaar, bij al uw roem, uw heldenkroon,

Als ik ontvlucht, ben ik niet Talbot’s zoon.

Daarom; niets meer van vlucht; ’t is ijdel pogen;

Wie Talbot’s zoon is, sterft voor Talbot’s oogen.

TALBOT. Zoo volg dan uw Cretenser-vader nu,

Mijn Icarus, mijn leven; ’k zegen u;

Kiest gij den strijd, zoo strijd aan ’s vaders zijde,

Dat, wie ons vallen ziet, ons lot benijde.

(Beiden af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 35 / 165 题