JOHN. Geen deel van hem, dat mij niet schimpt en hoont. 39

TALBOT. Gij hebt geen roem nog, kunt geen schade lijden.

JOHN. ’k Draag uwen naam, zou dien mijn vlucht ontwijden?

TALBOT. Uws vaders last pleit van die smet u vrij.

JOHN. Getuigt die nog, indien gij valt, voor mij?

Is dood zoo wis, mijd dan met mij dien nood.

TALBOT. En ’k liet mijn volk ten prooi aan strijd en dood?

Hoe oud ook, nooit onteerde ik zoo mijn naam.

JOHN. En zou mijn jeugd niet huivren voor die blaam?

Van u te wijken is mij niet vergund,

Zoo min als gij uzelven splitsen kunt.

Ga, blijf, doe wat gij wilt, ik blijf u bij,

En leef niet als gij valt, maar sterf als gij.

TALBOT. Ontvang mijn afscheidskus dan, dierbaar kind,

Wiens leven eindt, nu ’t heden eerst begint.

Kom, zij aan zij gestreden en gesneefd,

En ziel aan ziel ten hemel dan gestreefd!

(Beiden af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 34 / 165 题