Het Engelsche legerkamp nabij Bordeaux.
Talbot en zijn zoon John komen op.
TALBOT. O John, mijn zoon, ik heb u hier ontboden,
Opdat ik de oorlogskunst u leeren mocht,
En Talbot’s naam in u herleven zou,
Als dorre leden, sloopende ouderdom
Uw vader aan zijn leunstoel zouden kluistren.
Maar nu,—o booze en onheilzwangre sterren!—
Zijt ge aangekomen voor een feest des doods,
Een schrikk’lijk, onafwendbaar doodsgevaar.
Daarom, mijn zoon, bestijg mijn snelste ros;
Ik wijs u aan, hoe gij ontkomen kunt
Door snelle vlucht; kom, draal niet, spoed u weg!
JOHN. Heet ik niet Talbot? ben ik niet uw zoon?
En vluchten? O, bemint gij mijne moeder,
Onteer haar hoogvereerden naam dan niet,
Door mij tot bastaard, tot een slaaf te maken!
De wereld vroeg: „Stamt hij van Talbot af?
Held Talbot tartte ’t lot, en hij vlood laf!”
TALBOT. Vlied thans, en wreek mijn dood, indien ik val.
JOHN. Alsof, wie zoo ontvliedt, ooit keeren zal!
TALBOT. Zoo beiden blijven, beiden sterven wij.
JOHN. Laat mij dan blijven, vader, en vlucht gij!
Aan u hangt alles, spaar u dus en vlied;
Mijn waarde is onbekend; mij mist men niet.
Bij mijn val stoft geen Franschman schel en luid,
Bij de’ uwen wel, want onze hoop heeft uit.
U rooft de vlucht uw eer niet, die gij wont,
Mij wel, die nog geen heldendaad bestond.
’t Is wijs gedaan, zegt elk, zoo gij ontvlucht;
Wijk ìk, dan heet ik voor gevaar beducht.
Wie hoopt nog, dat ik ooit krijgshaftig blijk,
Indien ik, de eerste maal reeds, sidd’rend wijk?
Hier op mijn knieën smeek ik: laat mij sterven,
Veeleer dan ’t leven eerloos te verwerven!
TALBOT. Moet één graf heel uw moeders hoop omgeven?
JOHN. Ja, eer dan ik haar schoot ten oneer leven.
TALBOT. Ga, bij mijn zegen! denkt wie ’t u gebiedt.
JOHN. ’k Wil gaan, ten strijde ja, maar vluchten niet.
TALBOT. Een deel uws vaders blijft in u verschoond.