Een andere vlakte in Gasconje.
Somerset komt op met zijn troepen, vergezeld van een Officier van
Talbot.
SOMERSET. Het is te laat; ik kan ze thans niet zenden.
Die onderneming werd door York en Talbot
Te vroeg beraamd. Aan onze gansche macht
Kan bij een uitval reeds de stad alleen
Het hoofd wel bieden. Talbot’s overmoed
Heeft heel den glans van al zijn vroegere eer
Bevlekt door dit onzinnig dolle waagstuk.
York dreef hem aan tot strijd en roemloos sterven,
Om zelf des dooden Talbot’s glorie te erven.
OFFICIER. Daar is Sir William Lucy, die met mij
’t Bedreigde heer verliet om hulp te zoeken.
(Sir William Lucy komt op.)
SOMERSET. Sir William, gij? Waarheen was uwe zending?
LUCY. Waarheen, mylord?
Van den verraden en verkochten Talbot,
Die, eng door driesten tegenspoed omzet,
Roept om den eed’len York en Somerset,
Zijn zwakke schaar nog voor den dood wil hoeden.
En midd’lerwijl des eed’len veldheers leden,
Door strijden afgemat, van bloedzweet drupp’len,
En hij, in dralen heil ziend, wacht en uitziet,
Blijft gij, zijn valsche hoop, waar Englands eer
Op bouwt, hem ver, uit schandlijke ijverzucht.
Laat toch door snoode tweedracht hem de hulp,
Voor hem, voor zijn ontzet gelicht, niet derven,
Terwijl hij, die beroemde en eed’le held,
Bezwijkt voor een onmeetlijke overmacht!
Karel, Alençon, Bourgondië en de bastaard
Van Orleans, Reignier, omsluiten hem,
En Talbot gaat door uwe schuld te grond.
SOMERSET. York dreef hem aan, York had hem moeten helpen.
LUCY. En York laakt even heftig uw genade;
Hij zweert, dat gij hem ruiterij onthoudt,
Die juist voor dezen tocht verzameld was.
SOMERSET. York liegt; ’k had ze afgestaan, had hij gevraagd;
’k Ben hem geen dienst, nog minder liefde schuldig;
’t Waar’ laag, ’t waar’ vleien, zoo ikzelf haar zond.
LUCY. Englands verraad, en niet de kracht van Frankrijk,
Heeft dien rechtschapen Talbot nu omstrikt.
Naar England brengt hij nimmermeer zijn leven,
Hij sterft, door u aan ’t noodlot prijsgegeven.
SOMERSET. Nu dan, ik zend terstond de ruiterij;
Zes uren, en zij allen staan hem bij.
LUCY. Te laat; gevangen is hij dan of dood;
Geen vlucht is moog’lijk, ook al koos hij die;
En nimmer kiest hij die, zelfs als hij kan.
SOMERSET. En valt hij,—dapp’re Talbot, helpe u God!
LUCY. Roem blijft zijn deel, en eeuw’ge schande uw lot.
(Allen af.)