TWEEDE TOONEEL.

Frankrijk. Voor Bordeaux.

Talbot komt op, met zijn troepen.

TALBOT. Ga naar de poort, trompetter, van Bordeaux,

En roep den overste op tot een gesprek.

(Trompetsignaal. Op de wallen verschijnen de Bevelhebber der Fransche

troepen en Anderen.)

Hoofdlieden, ’t is John Talbot, die u oproept,

De wapenknecht van Hendrik, Englands vorst;

En wat hij wil, is dit: ontsluit uw poorten,

En buigt het hoofd, noemt mijnen heer den uwen,

En huldigt hem als need’rige onderdanen;

Dan trekt mijn bloedige oorlogsmacht terug.

Maar zoo gij de aangeboden hand versmaadt,

Dan tart gij ’t woeden van mijn drie gezellen,

’t Vierdeelend zwaard, wild vuur en hollen honger,

Die uwe torens, fier de wolken tartend,

Tot de aarde slechten zullen in een oogwenk,

Zoo gij ons vriendlijk aanbod af mocht slaan.

BEVELHEBBER. Gij onheilspellende en verfoeib’re doodsuil,

’s Volks schrik, de geesel, die het bloedig striemt!

Nabij is ’t eind van uw geweldnarij. 17

Tot ons dringt gij niet door dan door den dood;

Want, dit bezweer ik, wij zijn hechtverschanst,

En sterk genoeg tot uitval en gevecht.

En deinst gij af, gereed staat de dauphijn,

Om met des oorlogs strikken u te omslingren;

Aan beide uw zijden houden troepen wacht

En muren u den uitweg toe ter vlucht;

En nergens kunt ge om hulp u henenwenden,

Waar niet met zeek’ren greep de dood u dreigt

En u het bleek verderf niet tegentreedt.

Tienduizend Franschen namen ’t sacrament,

Dat ze op geen christenziel dan Englands Talbot

Hun dood’lijk schroot en kogels zenden zullen.

Gij staat daar aad’mend nog, een dapper man

Van onbedwongen, onbedwingb’ren geest;

Maar dit, dit is uw laatste gloriekrans,

Waar ik, uw vijand, thans u mee bekleed;

Want eer het glas, welks zand begint te vloeien,

Den afloop meldt van ’t aangevangen uur,

Zal u, van kracht nu blozend, frisch en rood,

Mijn oog verwelkt zien, bloedig, bleek en dood.

(Trommen in de verte.)

Hoor! hoort

De trom van den dauphijn, een klok, die maant,

Slaat daar een treurmarsen voor uw veege ziel;

U zal de mijne een bang verscheiden galmen.

(De Bevelhebber met de zijnen af.)

TALBOT. Het is geen fabel, ’k hoor den vijand reeds.—

Op! lichte ruiterij, verkent zijn vleugels.—

O, zorgeloos, nalatig krijgsbeleid!

Hoe zijn wij ingesloten, opgekooid,

Een kleine, schuwe hertenkudde uit England,

Verbijsterd door ’t geblaf van Fransche honden;

Maar zijn wij Engelsch wild, weest dan vol kracht,

Geen schrale troep, die valt bij de’ eersten beet;

Neen, biedt als niets ontziende, dolle herten

Het stalen voorhoofd aan het moordziek rot,

Zoodat het laf en blaffend verre blijft;

Verkoopt gij allen ’t lijf zoo duur als ik,

Dan kost hun ’t wild een wilden, duren dag.—

God en Sint Georg’! Talbot en Englands recht

Beveil’gen onze vaan in ’t boos gevecht!

(Allen af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 30 / 165 题