GLOSTER. Stadhouder van Parijs, zweert thans uw eed,—

(De Commandant knielt.)

Dat gij geen andren koning kiest dan hem,

Geen vrienden wilt, dan die zijn vrienden zijn,

En niemand vijand reek’nen zult, dan hen,

Die zijn gezag met boozen raad belagen;

Dit moet gij doen; zoo waarlijk helpe u God!

(De Commandant legt den eed af en gaat met zijn Gevolg heen.)

(Sir John Fastolfe komt op.)

FASTOLFE. Genadig koning, toen ik van Calais

Spoorslags hierheen reed naar uw kroningsfeest,

Werd mij een brief ter hand gesteld, van wege

Den Hertog van Bourgondië, aan uwe hoogheid.

TALBOT. Schande over u en die u zendt, den hertog! 13

’k Zwoer, lage ridder, u, bij ’t eerst ontmoeten,

Dien knieband van uw hazebeen te rijten;

(Hij rukt hem den kouseband af.)

En heb het daar gedaan, wijl gij onwaardig

Bekleed werdt met die hooge waardigheid.—

Vergeeft mij, koning Hendrik, en gij andren!

Die lafaard daar,—bij ’t treffen van Patay,

Toen heel mijn macht zesduizend man bedroeg,

De Franschen, tien schier tegen één, ons dreigden,—

Nog vóór de ontmoeting, ja, eer één slag viel,

Liep hij als een getrouwe schildknaap weg!

Twaalfhonderd man verloren we in ’t gevecht;

Ikzelf, en menig edelman met mij,

Wij werden overmand en krijgsgevangen.

Spreekt nu, mylords, of ik hem onrecht deed,

Of zulke lafaards ooit der ridderschap

Hoogst sieraad mogen dragen, ja of neen?

GLOSTER. In waarheid, zulk een doen was schand’lijk, eerloos;

Slecht stond het aan den minsten wapenknecht,

Hoeveel te meer een ridder, hoofdman, leider!

TALBOT. Mijn vorst, toen de orde werd verordend, waren

De ridders van den knieband hooggeboren,

Vol dapperheid en deugd en fieren moed,

Steeds mannen, door hun oorlogsdaden roemrijk;

Den dood niet vreezend, voor gevaar nooit deinzend,

En onverschrokken in den hoogsten nood. 38

Die deze gaven niet bezit, hij matigt

Zich driest den heil’gen naam van ridder aan,

En is der eerbiedwaardige orde een schandvlek;

Hij zij,—zoo iets mijn oordeel geldt,—verstooten,

Gelijk een in de heg geboren dorper,

Die zich vermeet op edel bloed te pralen.

KONING HENDRIK. Gij schandvlek van uw volk! gij hoort uw oordeel.

Pak dus u weg, gij, die een ridder waart;

Van nu af zijt ge, op straf des doods, verbannen.

(Fastolfe af.)

En nu, mylord protector, lees den brief

Van onzen oom, den hertog van Bourgondië.

GLOSTER. Wat meent de hertog met dien nieuwen briefstijl?

Kortweg en plomp begint hij: „Aan den koning”.

Heeft hij vergeten, wie zijn leenheer is?

Of duidt wellicht dit boersch en plomp begin

Verand’ring in gezindheid bij hem aan?

Wat staat hier? (Hij leest.) „’k Heb na rijp beraad, begaan

Met de’ ondergang mijns lands en om het jamm’ren

Van hen, waar uw geweld’narij op teert,

Uw booze zaak verlaten; en ik sluit

Mij aan bij Karel, Frankrijks rechten heer!”

O gruw’lijk, laag verraad! Hoe kan dit zijn,

Dat in verbonden, vriendschap en geloften

Zoo loos en valsch bedrog gevonden wordt?

KONING HENDRIK. Wat! valt mijn oom, valt mij Bourgondië af?

GLOSTER. Dat doet hij, heer; uw vijand is hij thans.

KONING HENDRIK. Is dit het ergste, wat zijn brief bevat?

GLOSTER. ’t Is, heer, het ergste; verder schrijft hij niets.

KONING HENDRIK. Welnu, Lord Talbot hier zal met hem spreken,

En hem kastijden voor zijn snood bedrijf.

Mylord, wat zegt gij? is u dit niet welkom?

TALBOT. Welkom? mylord? Het komt mijn wenschen voor;

’k Had anders om deze opdracht u gesmeekt.

KONING HENDRIK. Trek macht dan saam en daad’lijk op hem los.

Doe hem gevoelen, hoe ’t verraad ons kwetst,

En dat het zonde is, vrienden te bespotten.

TALBOT. Ik ga, mylord, en wensch van harte u toe, 76

Dat gij welras uws vijands val moogt zien.

(Talbot af.)

(Vernon en Basset komen op.)

VERNON. Sta mij den tweestrijd toe, genadig vorst!

BASSET. En mij, mylord, sta mij dien strijd ook toe!

YORK. Mìjn dienaar is hij; hoor hem, eed’le vorst!

SOMERSET. De mijne hij; wees gunstig, waarde Hendrik!

KONING HENDRIK. Bedaard, mylords, en laat henzelve spreken.

Zegt, heeren, wat beteekent zulk een aandrang?

Waarom verlangt ge een tweegevecht? met wien?

VERNON. Met hem, mylord, want hij heeft mij gekrenkt.

BASSET. En ik met hem, want hij heeft mij gekrenkt.

KONING HENDRIK. Wat is die krenking, die u beiden grieft?

Zegt dit mij eerst, en dan geef ik u antwoord.

BASSET. Toen ik ter zee van England hierheen kwam,

Heeft mij die mensch daar met zijn scherpe gifttong

Om deze roos beleedigd, die ik draag;

Hij zeide, dat de bloedkleur van haar blaad’ren

Een beeld was van mijns meesters schaamteblos,

Toen die de waarheid vinnig had weerstreefd

Bij zeek’ren redetwist om recht en wetten,

Dien hij gehad had met den hertog York,

Met verdre lage schimp- en lastertaal;

Ter wederlegging van dit grof verwijt,

En ter verdediging mijns eed’len meesters,

Smeek ik om ’t voorrecht van der waap’nen wet.

VERNON. Hetzelfde is mijn verzoek, doorluchte vorst;

Want, schoon hij ook, met sluw bedachte vonden,

Zijn driest vermetel doel vernissen moog’,

Verneem toch, heer, dat ik door hem getart werd,

Dat hij het eerst zich ergerde aan dit teeken,

En zeide, dat de bleekheid dezer bloem

De lafheid van mijns meesters hart verried.

YORK. Neemt deze boosheid, Somerset, geen eind?

SOMERSET. Uw eigen wrok, mylord van York, breekt uit,

Hoe kunstig gij dien ook versmoren wilt.

KONING HENDRIK. God! welk een waanzin heerscht in dolle mannen,

Als om zoo nietige en zoo ijd’le reden

Zoo vinnige partijschap zich verheft!—

Mijn waarde neven, Somerset en York,

Wordt kalm, bewaart den vrede, bid ik u.

YORK. Zij dit geschil eerst met het zwaard getoetst; 116

Daarna bevele uw hoogheid ons den vrede.

SOMERSET. De strijd gaat niemand aan dan ons alleen,

En zij daarom ook door onszelf beslecht.

YORK. Daar ligt mijn pand; gij, hertog, neem het op.

VERNON. Neen, blijv’ de strijd bij wie hij ’t eerst begon.

BASSET. Beslis dit zoo, mijn hoogvereerde vorst.

GLOSTER. Beslis dit zoo! Vervloekt zij uw geschil!

En gaat te grond, gij en uw driest gekijf!

Gij snorkende vazallen, schaamt ge u niet,

Met zulk een luid en onbeschaamd geschimp

Den koning, ons, te kwellen en te ontrusten?

En gij, mylords, mij dunkt, gij doet niet wel

Met zulk een dol gekijf van hen te dulden,

Laat staan een grond te delven uit hun taal

Om onderling nu zelve twist te zoeken;

Neemt raad van mij aan, volgt een beet’ren weg.

EXETER. Het grieft den koning; beste lords, sluit vrede.

KONING HENDRIK. Komt hier, gij beiden, die een strijd begeert:

’k Gelast u, op verbeurte van mijn gunst:

Vergeet voortaan uw twist en wat hem wekte.—

En gij, mylords, bedenkt gij, waar wij zijn:

In Frankrijk, bij een wuft en wankel volk!

Zoodra zij in onze oogen tweedracht zien,

En dat wij in onszelf oneenig zijn,

Hoe zal dit hun verholen wrok doen uitslaan

In koppige ongehoorzaamheid en oproer!

En bovendien, wat schande zal ’t ons zijn,

Als vreemden vorsten dit ter oore komt,

Dat om een speelgoed, om een nietig ding,

De pairs van koning Hendrik, zijn rijksadel,

Zichzelf verdelgen, ’t Fransche rijk verloren!

O, denkt aan de veroov’ring van mijn vader,

Mijn teedre jeugd; verspeelt niet voor een niets,

Wat England eens verkreeg voor stroomen bloeds.

Laat mij de scheidsman zijn in dezen strijd.

Ik zie niet in, zoo ik die roos nu draag,

(Hij neemt de roos van Somerset en steekt die op.)

Dat niemand, wie ook, hieruit kan vermoeden,

Dat Somerset mij liever is dan York;

’k Heb beiden lief, ik ben verwant aan beiden;

Zoo kan men ook zich erg’ren aan mijn kroon,

Wijl Schotlands koning ook zich kronen liet.

Doch beter raadt u wis uw eigen inzicht,

Dan ik u leeren of vermanen kan.

Daarom, gelijk wij hier in vrede kwamen,

Laat zoo ons ook in vrede en vriendschap blijven.—

Mijn neef van York, dit deel van Frankrijk wordt

Door ons als uw regentschap u vertrouwd;

En, waarde lord van Somerset, vereenig

Uw ruiterbenden met zijn macht van voetvolk.

Gaat, als trouwe onderdanen, gaat als zonen

Van uwe vaad’ren lustig hand aan hand;

Koelt op uw vijand uw verhitten wrok.— 168

Wijzelf, mylord protector, gaan met de andren,

Na korte rust, dra naar Calais terug,

Van daar naar England, waar ik binnenkort

Karel, Alençon en heel die bent verraders

Door uw triomfen voor mij hoop te zien.

(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Gloster, Somerset, Winchester,

Suffolk en Basset af.)

WARWICK. Mylord van York, de koning, moet ik zeggen,

Heeft daar zijn rol van reed’naar goed gespeeld.

YORK. Dat deed hij, ja, maar ’t wil mij niet bevallen,

Dat hij de roos van Somerset nu draagt.

WARWICK. Kom! ’t was een inval slechts, val hem niet hard;

De goede vorst bedoelde wis niets kwaads.

YORK. Ja, was ik hiervan zeker,—doch genoeg;

Er zijn nu andere zaken, die mij roepen.

(York, Warwick en Vernon af.)

EXETER. ’t Was, Richard, goed, dat gij uw stem bedwongt;

Want, als uw hartstocht uitgebarsten was,

Dan, vrees ik, zagen wij daarin onthuld

Meer haat en wrok, meer wilden, woesten strijd,

Dan nu zich denken of vermoeden laat.

Maar hoe dit zijn moog’, elk eenvoudig man,

Die dezen nijd en twist des adels ziet,

’t Wegdringen aan het hof van elk door elk,

En ’t nijdig kibb’len van hun dienaarsbent,

Voorziet het naad’ren van een boozen tijd.

’t Is erg, indien een kind den scepter zwaait;

Doch erger nog, zoo haat verdeeldheid broedt,

Dan gaan we ellende en omkeer te gemoet.

(Exeter af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 29 / 165 题