Aldaar. De vlakte bij Rouaan.
Karel, de Bastaard van Orleans, Alençon, de Pucelle, komen op, met
troepen.
PUCELLE. Verlies om ’t ongeval den moed niet, prinsen,
’t Bedroeve u niet, dat wij Rouaan verloren;
Want smart om dingen, die onheelbaar zijn,
Is geen arts’nij, maar bijtend, knagend gif.
De dolle Talbot triumfeere een poos,
En pronke, een pauw gelijk, vrij met zijn staart,
Wij plukken hem, ontrooven hem zijn pronk,
Zoo gij, Dauphijn, en de andren, raad wilt hooren.
KAREL. Wij lieten tot hiertoe door u ons leiden,
En uw beleid werd niet door ons mistrouwd;
Één plots’ling onheil mag geen argwaan wekken.
BASTAARD. Vorsch in uw geest naar diep verholen listen,
En heel de wereld melden wij uw roem.
ALENÇON. Uw standbeeld zetten we op gewijde plaatsen,
U eerend als een heil’ge patrones;
Wil, lieve jonkvrouw, dus ons heil bewerken.
PUCELLE. Dan moet het zoo zijn; dit is Jeanne’s plan:
Door zachte toespraak en met honigwoorden
Verlokken wij den hertog van Bourgondië,
Dat hij van Talbot wijk’, bij ons zich voeg’. 20
KAREL. Ja, liefste, zoo wij dit vermochten, dan
Waar’ ’t hier geen blijvensplaats voor Hendriks heer;
Voorwaar, dan zou dat volk ons niet meer tarten,
Maar ras gerooid uit onze landen zijn.
ALENÇON. Voor immer waren zij verjaagd uit Frankrijk,
En leenden van geen graafschap hier den naam.
PUCELLE. De heeren zullen zien, hoe ik ’t bewerk,
De zaak in de gewenschte haven breng.
(Getrommel in de verte.)
Hoor, aan den klank der trommen kunt gij ’t hooren,
Dat hunne strijdmacht naar Parijs marcheert.
(Een Engelsche marsch. Talbot komt op met zijn troepen, en trekt
voorbij.)
Daar trekt lord Talbot,—ziet, zijn vanen wapp’ren,—
En al het Engelsch krijgsvolk achter hem.
(Een Fransche marsch. De Hertog van Bourgondië komt op met zijne
troepen.)
Bourgondië en zijn heer in de achterhoede!
Een gunstig lot hield hen zoo ver ten achter!—
Steekt de trompet, wij willen met hem spreken.
(Een trompetsignaal voor een mondgesprek.)
KAREL. Een woord met de’ eed’len hertog van Bourgondië!
BOURGONDIË. Wie wil een mondgesprek met den Bourgondiër?
PUCELLE. Prins Karel is ’t, van Frankrijk, en uw landsman.
BOURGONDIË. Spreek, Karel, kort, want ik trek weg van hier.
KAREL. Pucelle, spreek, betoover hem met woorden.
PUCELLE. Dapper Bourgondië, vaste hoop van Frankrijk,
Sta toe, dat uwe dienstmaagd met u spreek’.
BOURGONDIË. Spreek op, maar wees niet overmatig lang.
PUCELLE. Blik op uw vaderland, uw vruchtbaar Frankrijk,
En zie in ’t rond èn stad èn dorp vernield
Door ’t fel verheeren van een bitt’ren vijand.
Blik, als de moeder ’t doet op ’t bleeke wicht,
Wanneer de dood zijn lieflijke oogjes sluit,
Op ’t sloopend kwijnen van uw Frankrijk; zie
Die wonden, de onnatuurlijk booze wonden,
Die gij, gijzelf, haar bangen boezem sloegt.
O, keer uw snijdend zwaard naar andre zijden.
Tref hem, die slaat, en sla niet hem, die helpt;
Één droppel bloeds, uit uws lands borst getapt,
Moet meer dan stroomen vreemdlingsbloed u rouwen. 55
Daarom, keer tot ons met een vloed van tranen,
En wasch uws lands wankleur’ge vlekken weg.
BOURGONDIË. Zij heeft mij met haar woorden daar behekst,
Of wel, natuur heeft plotsling mij verweekt.
PUCELLE. Om u schreit Frankrijk en heel ’t Fransche volk;
Zij twijflen aan uw echt en edel bloed.
Met wien verbondt ge u? met een heerschziek volk,
Dat u vertrouwt, zoover ’t er winst in ziet.
Heeft Talbot eens in Frankrijk vasten voet,
U tot zijn werktuig makend van verderf,
Wie wordt dan meester hier, dan Englands Hendrik?
U stoot men als een overlooper uit.
Herdenk dit eene, roep ’t u voor den geest:
Was Orleans, de hertog, niet uw vijand,
En was hij niet in England krijgsgevangen?
Nauw was hij als ùw vijand hun bekend,
Of zonder losgeld lieten zij hem vrij,
Bourgondië tartend en zijn vriendenschaar.
Zie toe, gij moordt aldus uw landgenooten;
Hen steunt gij, die uw moord’naars zullen zijn.
Kom, kom terug! keer om, verdwaalde vorst!
Als Karel, spreiden allen de armen open.
BOURGONDIË. ’k Geef mij gewonnen: hare hooge taal
Heeft mij verplet, als schroot van grof geschut,
En bijna knielde ik neer tot overgaaf.—
Vergeeft mij, land, en lieve landgenooten!
En gunt mij, heeren, hartlijk u te omarmen;
Mijn leger, al mijn macht behoort aan u.
Talbot, vaarwel, ’k vertrouw u thans niet meer.
PUCELLE (ter zijde). Echt Fransch gehandeld! draaien en weer draaien!
KAREL. Heil, dapp’re hertog, uw verbond verfrischt ons.
BASTAARD. En wekt ons nieuwen moed in onze borst.
ALENÇON. Pucelle heeft haar rol daar braaf gespeeld,
En een gravinnekroontje er mee verdiend.
KAREL. Thans, heeren, op! fluks onze macht vereend,
En dan getracht den vijand schâ te doen.
(Allen af.)