PUCELLE. Nu dan, Rouaan, wil ik uw bolwerk schokken.
(De Pucelle en de Anderen gaan de stad binnen.)
(Karel komt op, de Bastaard van Orleans, Alençon en Troepen.)
KAREL. Dat Saint Denis de sluwe krijgslist zeeg’ne!
Dan slapen wij weer veilig in Rouaan.
BASTAARD. Hier sloop Pucelle binnen met haar helpers;
Maar nu zij daar is, hoe geeft zij ons aan,
Waar wij het best en veiligst binnendringen?
ALENÇON. Zij steekt een fakkel op van gindschen toren;
En zien wij dit, dan toont het, dat zij meent,
Dat, waar zij binnenkwam, de zwakste weg is.
(De Pucelle verschijnt op een tinne en houdt een brandende fakkel
omhoog.)
PUCELLE. Ziet hier, dit is de blijde bruiloftsfakkel,
Rouaan weer huwend aan zijn landgenooten,
Maar doodlijk brandend voor de Talbotisten.
BASTAARD. Zie, eed’le Karel, onzer helpster baak;
Daar staat het lichtsein reeds op gindschen toren.
KAREL. Het lichte daar als een komeet der wrake,
En als profeet van onzes vijands val!
ALENÇON. Thans niet getalmd! Elk uitstel eindigt boos;
Dringt binnen; roept terstond dan: „De Dauphijn!”
En slaat de wachters aan de poort ter neer.
(Zij dringen de stad binnen.)
(Krijgsgedruisch. Talbot komt op met Engelsche Soldaten.)
TALBOT. Frankrijk, gij zult dit doen met tranen boeten,
Zoo Talbot uw verraad slechts overleeft.
Die heks, die vloekb’re tooveres, Pucelle,
Heeft heimlijk dezen helschen streek gespeeld,
Zoodat wij Frankrijks felheid nauw ontgingen.
(Zij trekken stedewaarts op.)
(Krijgsgedruisch; aanvallen. Van de zijde der stad komen op: Bedford,
die ziek in een stoel gedragen wordt, Talbot, Bourgondië, en de
Engelsche troepen. Daarna verschijnen op den muur: de Pucelle, Karel,
de Bastaard van Orleans, Alençon, Reignier, en Anderen.)
PUCELLE. Goeden morgen, dapp’ren! Wenscht gij graan voor brood? 41
Bourgondië’s hertog zal wel vasten, denk ik,
Eer hij voor zulk een prijs het weder koopt.
Het was vol dolik; staat de smaak u aan?
BOURGONDIË. Hoon voort, gij duivelin en drieste boel!
’k Zal dra u aan uw eigen hoon doen stikken,
En ’t oogsten van dit graan u vloeken doen.
KAREL. Uw hoogheid kan wel voor dien tijd verhong’ren.
BEDFORD. Neemt niet met woorden, neemt met daden wraak!
PUCELLE. Wat wilt gij, goede grijsaard? lansen breken,
En op den dood een rit doen in een stoel?
TALBOT. Frankrijks onreine geest, heks aller gruw’len,
Gij, van uw wulpsche minnaars daar omringd,
Waagt gij ’t, zijn dapp’ren ouderdom te hoonen,
Als laf een half-gestorv’ne te beschimpen?
Nu, liefje, ik doe nog eens een dans met u,
Of Talbot moge aan deze schande sterven.
PUCELLE. Wat, zoo verhit, heer?—Doch, Pucelle, stil;
Want dondert Talbot zoo, dan volgt ook regen.—
(Talbot en de zijnen raadplegen onderling.)
God zegen ’t parlement! wie is de spreker?
TALBOT. Waagt gij u buiten? staat gij ons in ’t veld?
PUCELLE. Uw lordschap acht, zoo ’t schijnt, ons dwaas genoeg
Tot toetsing, of het onze wel het onze is.
TALBOT. Ik spreek niet tot die smalende opperheks;
Gij, Alençon, geef antwoord, en die andren;
Spreekt, laat gij, als soldaten, ’t zwaard beslissen?
ALENÇON. Neen, heer.
TALBOT. Zoo hangt dan, lage Fransche muildierdrijvers!
Trosboeven zijn zij, die de wallen hoeden,
En niet als ridders strijden in het veld.
PUCELLE. Hoplieden, weg! laat ons de wallen ruimen,
Want Talbots blikken spellen ons niets goeds.—
Behoede u God, mylord, wij kwamen slechts
Om u te zeggen, dat wij hier zijn.
(De Pucelle met de Anderen af.)
TALBOT. Wij willen mede daar zijn, en eerlang,
Of Talbots hoogste roem verkeere in smaad!
Zweer mij, Bourgondië, op de eere van uw huis,
Gespoord door ’t onrecht, dat u Frankrijk aandeed,
Dat gij de stad herneemt, of strijdend sterft;
En ik, zoo waar als Englands Hendrik leeft,
En hier zijn vader heeft gezegevierd,
Zoo waar, als in deez’ pas verraden stad
Het hart van Coeur-de-Lion begraven ligt,
Zweer ik, de stad te nemen, of te sterven. 84
BOURGONDIË. Mijn eed is bondgenoot van uwen eed.
TALBOT. Maar zorgen we eerst voor dezen vorst, die sterft,
Den dapp’ren hertog Bedford.—Kom, mylord!
Wij brengen eerst u naar een beet’re plaats,
Voor ziekte en zwaklijke’ ouderdom meer passend.
BEDFORD. Lord Talbot, doe mij zulk een smaad niet aan;
’k Wil voor de wallen van Rouaan hier zitten,
En deelgenoot zijn van uw wel of wee.
BOURGONDIË. Manhafte Bedford, laat u overreden.
BEDFORD. Tot heengaan zeker niet; ’k heb eens gelezen,
Hoe ook de stoute Pendragoon op ’t draagbed
Ziek in het veld kwam en zijn vijand sloeg.
’k Verlevendig misschien den moed der strijders,
Want steeds bevond ik hen, zooals mijzelf.
TALBOT. Onwrikb’re geest in doodlijk kranke borst!—
Het zij zoo!—Hoede God den ouden Bedford!—
En, kloek Bourgondië, nu geen woorden meer;
Maar onze macht verzameld tot den aanval;
Aan ’s vijands zwetsen ras een eind gemaakt!
(Bourgondië, Talbot, met hun troepen af; Bedford en Anderen blijven
achter.)
(Strijdgedruisch en aanvallen. Sir John Fastolfe en een Hopman komen
op.)
HOPMAN. Waarheen, Sir John Fastolfe, in zulk een haast!
FASTOLFE. Waarheen? ik ga mij redden door de vlucht;
Wij worden zeker weer teruggeslagen.
HOPMAN. Wat! vluchten? en lord Talbot laf verlaten?
FASTOLFE. Ja, duizend Talbots, om mijzelf te redden.
(Sir John Fastolfe af.)
HOPMAN. Lafhartig ridder! onheil zij uw deel.
(De Hopman af.)
(Terugtocht; aanvallen. Uit de stad komen de Pucelle, Alençon, Karel en
Anderen, die vluchtende heengaan.)
BEDFORD. Nu, kalme ziel, ontvlied, zoo God het wil;
Des vijands nederlaag heb ik aanschouwd.
Wat is de sterkte en trots des blinden menschen?
Zij, die nog pas ons tartten met hun hoon,
Zijn blijde, zoo de vlucht hen redden kan.
(Hij sterft en wordt in zijn armstoel weggedragen.)
(Strijdgedruisch. Talbot, Bourgondië en Anderen komen weder op.)
TALBOT. Verspeeld en op den eigen dag herwonnen! 115
Bourgondië, een dubbele eerekroon is ons;
Doch Gode zij de roem van deze zege!
BOURGONDIË. Talbot, krijgshafte lord, u wijdt Bourgondië.
Zijn hart als tempel, richt uw eed’le daden
Als eerzuil voor uw heldenmoed er op.
TALBOT. Dank, eed’le vorst. Doch waar is de Pucelle?
Vermoedlijk slaapt de geest, die in haar huist;
Waar is des Bastaards pochen, Karels spot?
Wat! allen stom? Rouaan buigt droef het hoofd,
Dat zulk een dapp’re bent gevloden is.
Laat thans ons alles reeg’len in de stad,
Er kundige officieren achterlaten,
Dan naar Parijs gaan, naar den jongen koning,
Want daar toeft Hendrik met zijn eed’len stoet.
BOURGONDIË. Wat Talbot wil, beaamt Bourgondië gaarne.
TALBOT. Doch, eer wij gaan, zij aan den pasverscheiden,
Hoogeed’len hertog Bedford nu gedacht.
Eerst zij zijn uitvaart in Rouaan gevierd.
Nooit heeft een braver held de speer gevoerd,
Een eed’ler hart ten hove nooit geheerscht;
Maar geen, hoe machtig vorst, ontgaat den dood;
Want die is ’t eind van ’s menschen ramp en nood.
(Allen af.)