Parijs. Een zaal in het koninklijk paleis.
Koning Hendrik komt op, met Gloster en andere Lords; verder Vernon,
Basset en Anderen. Daarna verschijnt Talbot met eenigen zijner
officieren.
TALBOT. Doorluchte souverein en eed’le pairs,
Wijl ik uw aankomst in dit rijk vernam,
Heb ik een poos mijn waap’nen rust gegund,
Om aan mijn vorst mijn trouw hier te betuigen;
Ten blijke hiervan legt deze arm,—die meer
Dan vijftig sterke sloten voor u won,
Twaalf steden, zeven hechtomwalde vesten,
Daarbij vijfhonderd eed’le krijgsgevang’nen,—
Zijn zwaard voor uwer hoogheid voeten neer;
(Hij knielt neder.)
En schrijft met onderdanig trouw gemoed,
Den roem en de eere der bevochten zeges,
Ten eerste aan God, dan aan uw hoogheid toe.
KONING HENDRIK. Is dit,—oom Gloster, zeg mij dit,—die Talbot, 13
Die sinds zoo langen tijd in Frankrijk streed?
GLOSTER. Ja, heer, indien ’t uw majesteit behaagt.
KONING HENDRIK. Wees welkom, dapp’re lord, zeeghafte veldheer!
’k Herinner mij,—’t was in mijn prille jeugd,—
’k Ben nog niet oud,—hoe toen mijn vader zeide,
Dat nooit een stouter krijger ’t zwaard hanteerde.
Sinds lange was uwe trouw ons openbaar,
Uw onvermoeid, bezwaarlijk oorlogvoeren:
Toch hebt gij onze erkentnis nooit geproefd,
En viel u zelfs geen woord van dank ten deel,
Omdat wij nooit uw aangezicht aanschouwden.
Daarom, sta op; ontvang voor zulke diensten,
Den naam en rang van graaf van Shrewsbury;
Neem zoo uw plaats bij onze kroning in.
(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Gloster, Talbot en de overigen af,
behalve Vernon en Basset.)
VERNON. Nu, heer, met u een woord; gij waart op zee
Zoo vinnig, dat ge op deze kleuren schimptet,
Die ik, Mylord van York ter eere, draag;
Durft gij, wat gij gezegd hebt, staande houden?
BASSET. Ja, heer, zoo goed als gij ooit staven durft
Het nijdig keffen van uw drieste tong
Tegen mijn heer, den hertog Somerset.
VERNON. Pah, man, ik houd uw heer voor wat hij is.
BASSET. Nu, en wat is hij? even goed als York.
VERNON. Neen, slechter; en neem dit als een getuignis.
(Hij geeft hem een slag.)
BASSET. Ellend’ling gij! gij kent het wapenrecht,
Dat wie een zwaard hier trekt, doodschuldig is;
Die slag onttapte u anders ’t hartebloed.
Doch weet, ik spoed mij tot zijn majesteit
En smeek hem om verlof, dien hoon te wreken;
Daar komt u onze ontmoeting duur te staan.
VERNON. Nu, lafaard, ik ben daar u voor, en dan
Ontmoet ik u nog eerder dan u lief is.
(Beiden af.)